BijbelDeuteronomium

Deuteronomium 24

Lees Deuteronomium 24 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Over de vrouw die door haar man met een scheidbrief verlaten is, vers 1, enz. vrijheid van de pasgetrouwde, 5. panden, 6. mensendieven, 7. melaatsheid, 8. opnieuw over panden, 10. Over dagloon, 14. niemand te straffen voor de misdaad van een ander, 16. Over het bewijzen van recht en liefde aan weduwen, wezen en vreemdelingen, 17.

1Wanneer een man een vrouw zal genomen en die getrouwd hebben, zo zal het gebeuren, als zij geen genade zal vinden in zijn ogen, omdat hij iets schandelijks aan haar gevonden heeft, dat hij haar een scheidbrief zal schrijven, en in haar hand geven, en ze laten gaan uit zijn huis.

2Zo zij dan, uit zijn huis uitgegaan zijnde, zal heengaan en de vrouw van een andere man worden,

3En deze laatste man haar gehaat, en haar een scheidbrief geschreven, en in haar hand gegeven, en haar uit zijn huis zal hebben laten gaan; of als deze laatste man, die ze voor zich tot een vrouw genomen heeft, zal gestorven zijn;

4Zo zal haar eerste man, die haar heeft laten gaan, haar niet mogen terugnemen, dat zij hem zijn vrouw wordt, nadat zij is verontreinigd geworden; want dat is een gruwel voor het aangezicht van JAHWEH; zo zult u het land niet doen zondigen, dat u JAHWEH, uw God, als erfenis geeft.

5Wanneer een man een nieuwe vrouw zal genomen hebben, die zal in het leger niet uittrekken, en men zal hem geen last opleggen; één jaar lang zal hij vrij zijn in zijn huis, en zijn vrouw, die hij genomen heeft, verheugen.

6Men zal beide molenstenen, immers de bovenste molensteen, niet te pand nemen; want hij neemt de ziel te pand.

7Wanneer iemand gevonden zal worden, die een ziel steelt uit zijn broers, uit de Israëlieten, en drijft winst met hem, en verkoopt hem; zo zal deze dief sterven, en u zult het boze uit het midden van u wegdoen.

8Wees op uw hoede in de plaag van de melaatsheid, dat u ijverig waarneemt en doet naar alles, wat de Levietische priesters u zullen leren; zoals ik hun geboden heb, zult u waarnemen te doen.

9Gedenk, wat JAHWEH, uw God, gedaan heeft aan Mirjam, op de weg, als u uit Egypte was uitgetrokken.

10Wanneer u aan uw naaste iets zult geleend hebben, zo zult u tot zijn huis niet ingaan, om zijn pand te pand te nemen;

11Buiten zult u staan, en de man, die u geleend hebt, zal het pand naar buiten tot u uitbrengen.

12Maar als hij een arm man is, zo zult u met zijn pand niet neerliggen.

13U zult hem dat pand zeker teruggeven, als de zon ondergaat, dat hij in zijn kleed neerligge, en u zegene; en het zal u gerechtigheid zijn voor het aangezicht van JAHWEH, van uw God.

14U zult de arme en behoeftige dagloner niet verdrukken, die uit uw broeders is, of uit uw vreemdelingen, die in uw land en in uw poorten zijn.

15Op zijn dag zult u zijn loon geven, en de zon zal daarover niet ondergaan; want hij is arm, en zijn ziel verlangt daarnaar; dat hij tegen u niet roepe tot JAHWEH, en zonde in u zij.

16De vaders zullen niet gedood worden voor de kinderen, en de kinderen zullen niet gedood worden voor de vaders; een ieder zal om zijn zonde gedood worden.

17U zult het recht van de vreemdeling en van de wees niet buigen, en u zult het kleed van de weduwe niet te pand nemen.

18Maar u zult gedenken, dat u een knecht in Egypte geweest bent, en JAHWEH, uw God, heeft u van daar verlost; daarom gebiede ik u deze zaak te doen.

19Wanneer u uw oogst op uw akker afgeoogst, en een schoof op de akker vergeten zult hebben, zo zult u niet terugkeren, om die op te nemen; voor de vreemdeling, voor de wees en voor de weduwe zal zij zijn; opdat u JAHWEH, uw God, zegene, in al het werk van uw handen.

20Wanneer u uw olijfboom zult geschud hebben, zo zult u de takken achter u niet nauw doorzoeken; voor de vreemdeling, voor de wees en voor de weduwe zal het zijn.

21Wanneer u uw wijngaard zult afgelezen hebben, zo zult u de druiven achter u niet nalopen; voor de vreemdeling, voor de wees en voor de weduwe zal het zijn.

22En u zult gedenken, dat u een knecht in Egypteland geweest bent; daarom gebiede ik u deze zaak te doen.