Deuteronomium 26
Lees Deuteronomium 26 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Offering van de eerstelingen van alle vruchten, met een mooie belijdenis, dankzegging en vreugde voor de HEERE, vers 1, enz. en ook over de driejaarlijkse tienden, 12. Bevestiging van het verbond tussen God en zijn volk van weerszijden, 16.
1Verder zal het gebeuren, wanneer u zult gekomen zijn in het land, dat u JAHWEH, uw God, als erfenis geven zal, en u dat erfelijk zult bezitten, en daarin wonen;
2Zo zult u nemen van de eerstelingen van alle vrucht van het land, die u opbrengen zult van uw land, dat u JAHWEH, uw God, geeft, en zult ze in een mand leggen; en u zult heengaan tot de plaats, die JAHWEH, uw God, gekozen zal hebben, om Zijn Naam daar te doen wonen;
3En u zult komen tot de priester, die in die dagen zijn zal, en tot hem zeggen: Ik verklaar vandaag voor JAHWEH, uw God, dat ik gekomen ben in het land, dat JAHWEH onze vaders gezworen heeft ons te zullen geven.
4En de priester zal de mand van uw hand nemen, en hij zal die voor het altaar van JAHWEH, van uw God, neerzetten.
5Dan zult u voor het aangezicht van JAHWEH, van uw God, betuigen en zeggen: Mijn vader was een bedorven Syriër, en hij trok af naar Egypte, en verkeerde daar als vreemdeling met weinig volk; maar hij werd daar tot een groot, machtig en veelvuldig volk.
6Maar de Egyptenaars deden ons kwaad, en verdrukten ons, en legden ons een harde dienst op.
7Toen riepen wij tot JAHWEH, de God van onze vaders; en JAHWEH verhoorde onze stem en zag onze ellende aan, en onze arbeid, en onze onderdrukking.
8En JAHWEH voerde ons uit Egypte, door een sterke hand, en door een uitgestrekte arm, en door grote schrik, en door tekenen, en door wonderen.
9En Hij heeft ons gebracht tot deze plaats; en Hij heeft ons dit land gegeven, een land vloeiende van melk en honing.
10En nu, zie, ik heb gebracht de eerstelingen van de vrucht van dit land, dat U, JAHWEH, mij gegeven hebt! Dan zult u ze neerzetten voor het aangezicht van JAHWEH, van uw God, en zult u buigen voor het aangezicht van JAHWEH, van uw God;
11En u zult vrolijk zijn over al het goede, dat JAHWEH, uw God, aan u en uw huis gegeven heeft; u, en de Leviet, en de vreemdeling, die in het midden van u is.
12Wanneer u zult geëindigd hebben alle tienden van uw inkomen te vertienen, in het derde jaar, zijnde een jaar van de tienden; dan zult u aan de Leviet, aan de vreemdeling, aan de wees en aan de weduwe geven, dat zij in uw poorten eten en verzadigd worden.
13En u zult voor het aangezicht van JAHWEH, van uw God, zeggen: Ik heb het heilige uit het huis weggenomen, en heb het ook aan de Leviet en aan de vreemdeling, aan de wees en aan de weduwe gegeven, naar al Uw geboden, die U mij geboden hebt; ik heb niets van Uw geboden overtreden, en niets vergeten.
14Ik heb daarvan niets gegeten in mijn leed, en heb daarvan niets weggenomen tot iets onreins, noch daarvan gegeven tot een dode; ik ben de stem van JAHWEH, van mijn God, gehoorzaam geweest, ik heb gedaan naar alles, wat U mij geboden hebt.
15Zie naar beneden van Uw heilige woning, van de hemel, en zegen Uw volk Israël, en het land, dat U ons gegeven hebt, zoals U onze vaders gezworen hebt, een land van melk en honing vloeiende.
16Te deze dage gebiedt u JAHWEH, uw God, deze voorschriften en rechten te doen; houd dan en doet ze, met uw hele hart en met uw hele ziel.
17Vandaag hebt u JAHWEH doen zeggen, dat Hij u tot een God zal zijn, en dat u zult wandelen in Zijn wegen, en houden Zijn voorschriften, en Zijn geboden, en Zijn rechten, en dat u Zijn stem zult gehoorzaam zijn.
18En JAHWEH heeft u vandaag doen zeggen, dat u Hem tot een eigendomsvolk zult zijn, zoals Hij u gesproken heeft, en dat u al Zijn geboden zult houden;
19Opdat Hij u zo boven al de volken, die Hij gemaakt heeft, hoog zette, tot lof, en tot een naam, en tot heerlijkheid; en opdat u een heilig volk bent voor JAHWEH, uw God, zoals Hij gesproken heeft.