BijbelDeuteronomium

Deuteronomium 28

Lees Deuteronomium 28 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Register van de zegeningen die Mozes van Godswege het volk belooft, als zij Hem gehoorzamen, vers 1 enz. Daartegenover een register van de vervloekingen, die hij hun dreigt en voorzegt, als zij van God afwijken en Zijn geboden verlaten, 15.

1En het zal gebeuren, als u de stem van JAHWEH, van uw God, vlijtig zult gehoorzamen, waarnemende te doen al Zijn geboden, die ik u vandaag gebiede, zo zal JAHWEH, uw God, u hoog zetten boven alle volken van de aarde.

2En al deze zegeningen zullen over u komen, en u aantreffen, wanneer u de stem van JAHWEH, van uw God, zult gehoorzaam zijn.

3Gezegend zult u zijn in de stad, en gezegend zult u zijn op het veld.

4Gezegend zal zijn de vrucht van uw buik, en de vrucht van uw land, en de vrucht van uw beesten, de voortzetting van uw koeien, en de kudden van uw klein vee.

5Gezegend zal zijn uw mand en uw baktrog.

6Gezegend zult u zijn in uw ingaan, gezegend zult u zijn in uw uitgaan.

7JAHWEH zal geven uw vijanden, die tegen u opstaan, geslagen voor uw aangezicht; door één weg zullen zij tot u uittrekken, maar door zeven wegen zullen zij voor uw aangezicht vluchten.

8JAHWEH zal de zegen gebieden, dat Hij met u zij in uw schuren, en in alles, waaraan u uw hand slaat; en Hij zal u zegenen in het land, dat u JAHWEH, uw God, geven zal.

9JAHWEH zal u Zichzelf tot een heilig volk bevestigen, zoals Hij u gezworen heeft, wanneer u de geboden van JAHWEH, van uw God, zult houden, en in Zijn wegen wandelen.

10En alle volken van de aarde zullen zien, dat de Naam van JAHWEH over u genoemd is, en zij zullen voor u vrezen.

11En JAHWEH zal u doen overvloeien aan goed, in de vrucht van uw buik, en in de vrucht van uw beesten, en in de vrucht van uw land; op het land, dat JAHWEH uw vaders gezworen heeft u te zullen geven.

12JAHWEH zal u opendoen Zijn goede schat, de hemel, om aan uw land regen te geven te zijner tijd, en om te zegenen al het werk van uw hand; en u zult aan vele volken lenen, maar u zult niet ontlenen.

13En JAHWEH zal u tot een hoofd maken, en niet tot een staart, en u zult alleen boven zijn, en niet onder zijn; wanneer u horen zult naar de geboden van JAHWEH, van uw God, die ik u vandaag gebiede te houden en te doen;

14En u niet afwijken zult van al de woorden, die ik u vandaag gebiede, ter rechterhand of ter linkerhand, dat u andere goden nawandelt, om hen te dienen.

15Daarentegen zal het gebeuren, als u de stem van JAHWEH, van uw God, niet zult gehoorzaam zijn, om waar te nemen, dat u doet al Zijn geboden en Zijn voorschriften, die ik u vandaag gebiede; zo zullen al deze vloeken over u komen, en u treffen.

16Vervloekt zult u zijn in de stad, en vervloekt zult u zijn op het veld.

17Vervloekt zal zijn uw mand en uw baktrog.

18Vervloekt zal zijn de vrucht van uw buik, en de vrucht van uw land, de voortzetting van uw koeien, en de kudden van uw klein vee.

19Vervloekt zult u zijn in uw ingaan, en vervloekt zult u zijn in uw uitgaan.

20JAHWEH zal onder u zenden de vloek, de verstoring en het verderf, in alles, waaraan u uw hand slaat, dat u doen zult; totdat u vernietigd wordt, en totdat u haastig omkomt, vanwege de boosheid van uw werken, waarmee u Mij verlaten hebt.

21JAHWEH zal u de pest doen aankleven, totdat Hij u verdoe van het land, waar u naar toe gaat, om dat te erven.

22JAHWEH zal u slaan met tering, en met koorts, en met vurigheid, en met hitte, en met droogte, en met brandkoren, en met honigdauw, die u vervolgen zullen, totdat u omkomt.

23En uw hemel, die boven uw hoofd is, zal koper zijn, en de aarde, die onder u is, zal ijzer zijn.

24JAHWEH, uw God, zal pulver en stof tot regen van uw land geven; van de hemel zal het op u neerdalen, totdat u vernietigd wordt.

25JAHWEH zal u geslagen geven voor het aangezicht van uw vijanden; door één weg zult u tot hem uittrekken, en door zeven wegen zult u voor zijn aangezicht vluchten; en u zult van alle koninkrijken van de aarde beroerd worden.

26En uw dood lichaam zal aan alle gevogelte van de hemel, en aan de beesten van de aarde tot voedsel zijn; en niemand zal ze afschrikken.

27JAHWEH zal u slaan met zweren van Egypte, en met gezwellen, en met droge schurft, en met krauwsel, waarvan u niet zult kunnen genezen worden.

28JAHWEH zal u slaan met waanzin, en met blindheid, en met verbaasdheid van het hart;

29Dat u op de middag zult omtasten, zoals een blinde omtast in het donkere, en uw wegen niet zult voorspoedig maken; maar u zult alleen verdrukt en beroofd zijn alle dagen, en er zal geen verlosser zijn.

30U zult een vrouw ondertrouwen, maar een ander zal haar beslapen; een huis zult u bouwen, maar daarin niet wonen; een wijngaard zult u planten, maar die niet onheilig maken.

31Uw os zal voor uw ogen geslacht worden, maar u zult daarvan niet eten; uw ezel zal van voor uw aangezicht geroofd worden, en tot u niet terugkeren; uw klein vee zal aan uw vijanden gegeven worden, en voor u zal geen verlosser zijn.

32Uw zonen en uw dochters zullen aan een ander volk gegeven worden, dat het uw ogen aanzien, en naar hen bezwijken de hele dag; maar het zal in het vermogen van uw hand niet zijn.

33De vrucht van uw land en al uw arbeid zal een volk eten, dat u niet gekend hebt; en u zult alle dagen alleen verdrukt en gepletterd zijn.

34En u zult waanzinnig zijn, vanwege het gezicht van uw ogen, dat u zien zult.

35JAHWEH zal u slaan met boze zweren, aan de knieën en aan de benen, waarvan u niet zult kunnen genezen worden, van uw voetzool af tot aan uw schedel.

36JAHWEH zal u, en ook uw koning, die u over u zult gesteld hebben, doen gaan tot een volk, dat u niet gekend hebt, noch uw vaders; en daar zult u dienen andere goden, hout en steen.

37En u zult zijn tot een schrik, tot een spreekwoord en tot een spotrede, onder al de volken, waarheen u JAHWEH leiden zal.

38U zult veel zaads op de akker uitbrengen, maar u zult weinig inzamelen; want de sprinkhaan zal het verteren.

39Wijngaarden zult u planten, en bouwen, maar u zult geen wijn drinken, noch iets verzamelen; want de worm zal het afeten.

40Olijfbomen zult u hebben in al uw gebied, maar u zult u met olie niet zalven; want uw olijfboom zal zijn vrucht afwerpen.

41Zonen en dochters zult u winnen, maar zij zullen voor u niet zijn; want zij zullen in gevangenis gaan.

42Al uw geboomte, en de vrucht van uw land zal het boos gewormte erfelijk bezitten.

43De vreemdeling, die in het midden van u is, zal hoog, hoog boven u opklimmen; en u zult laag, laag neerdalen.

44Hij zal u lenen, maar u zult hem niet lenen; hij zal tot een hoofd zijn, en u zult tot een staart zijn.

45En al deze vloeken zullen over u komen, en u vervolgen, en u treffen, totdat u vernietigd wordt; omdat u de stem van JAHWEH, van uw God, niet gehoorzaam zult geweest zijn, om te houden Zijn geboden en Zijn voorschriften, die Hij u geboden heeft.

46En zij zullen onder u tot een teken, en tot een wonder zijn, ja, onder uw zaad tot in eeuwigheid.

47Omdat u JAHWEH, uw God, niet gediend zult hebben met vrolijkheid en goedheid van het hart, vanwege de veelheid van alles;

48Zo zult u uw vijanden, die JAHWEH onder u zenden zal, dienen, in honger en in dorst, en in naaktheid, en in gebrek van alles; en Hij zal een ijzeren juk op uw hals leggen, totdat Hij u vernietige.

49JAHWEH zal tegen u een volk verheffen van verre, van het einde van de aarde, zoals een adelaar vliegt; een volk, waarvan u de taal niet zult verstaan;

50Een volk, stijf van aangezicht, dat het aangezicht van de oude niet zal aannemen, noch de jonge genadig zijn.

51En het zal de vrucht van uw beesten, en de vrucht van uw land opeten, totdat u vernietigd zult zijn; dat u geen koren, nieuwe wijn noch olie, voortzetting van uw koeien noch kudden van uw klein vee zal overig laten, totdat Hij u verdoe.

52En het zal u benauwen in al uw poorten, totdat uw hoge en vaste muren neervallen, op welke u vertrouwde in uw hele land; ja, het zal u benauwen in al uw poorten, in uw hele land, dat u JAHWEH, uw God, gegeven heeft.

53En u zult eten de vrucht van uw buik, het vlees van uw zonen en van uw dochters, die u JAHWEH, uw God, gegeven zal hebben; in de belegering en in de benauwing, waarmee uw vijanden u zullen benauwen

54Voor wat betreft de man, die teder onder u, en die zeer wellustig geweest is, zijn oog zal kwaad zijn tegen zijn broer, en tegen de huisvrouw van zijn schoot, en tegen zijn overige zonen, die hij overgehouden zal hebben;

55Dat hij niet aan één van die zal geven van het vlees van zijn zonen, die hij eten zal, omdat hij voor zich niets heeft overgehouden; in de belegering en in de benauwing, waarmee uw vijand u in al uw poorten zal benauwen.

56Voor wat betreft de tedere en wellustige vrouw onder u, die niet verzocht heeft haar voetzool op de aarde te zetten, omdat zij zich wellustig en teder hield; haar oog zal kwaad zijn tegen de man van haar schoot, en tegen haar zoon, en tegen haar dochter;

57En dat om haar nageboorte, die van tussen haar voeten uitgegaan zal zijn, en om haar zonen, die zij gebaard zal hebben; want zij zal hen eten in het verborgene, vanwege gebrek van alles; in de belegering en in de benauwing, waarmee uw vijand u zal benauwen in uw poorten.

58Als u niet zult waarnemen te doen al de woorden van deze wet, die in dit boek geschreven zijn, om te vrezen deze heerlijke en vreselijke Naam, JAHWEH, uw God;

59Zo zal JAHWEH uw plagen wonderlijk maken, en ook de plagen van uw zaad; het zullen grote en gewisse plagen, en boze en gewisse ziekten zijn.

60En Hij zal op u doen keren alle kwalen van Egypte, voor die u gevreesd hebt, en zij zullen u aanhangen.

61Ook alle ziekte, en alle plaag, die in het boek van deze wet niet geschreven is, zal JAHWEH over u doen komen, totdat u vernietigd wordt.

62En u zult met weinig mensen overgelaten worden, in plaats dat u geweest bent als de sterren van de hemel in menigte; omdat u de stem van JAHWEH, van uw God, niet gehoorzaam geweest bent.

63En het zal gebeuren, zoals JAHWEH Zich over u verblijdde, u goed doende en u vermenigvuldigende, zo zal Zich JAHWEH over u verblijden, u verdoende en u vernietigende; en u zult uitgerukt worden uit het land, waar u naar toe gaat, om dat te erven.

64JAHWEH zal u verstrooien onder alle volken, van het ene einde van de aarde tot het andere einde; en daar zult u andere goden dienen die u niet gekend hebt, noch uw vaderen — van hout en steen.

65Daartoe zult u onder die volken niet stil zijn, en uw voetzool zal geen rust hebben; want JAHWEH zal u daar een bevend hart geven, en bezwijking van de ogen, en mattigheid van de ziel.

66En uw leven zal tegenover u hangen; en u zult nacht en dag schrikken, en u zult van uw leven niet zeker zijn.

67's Morgens zult u zeggen: 'Was het maar avond!' en 's avonds zult u zeggen: 'Was het maar morgen!' vanwege de schrik in uw hart waarmee u verschrikt zult zijn, en vanwege wat uw ogen zullen zien.

68En JAHWEH zal u naar Egypte doen terugkeren in schepen, door een weg, waarvan ik u gezegd heb: U zult die niet meer zien; en daar zult u zich aan uw vijanden willen verkopen tot dienaren en tot dienaressen; maar er zal geen koper zijn.