Deuteronomium 3
Lees Deuteronomium 3 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Hoe Og, de andere koning van de Amorieten, door Israel overwonnen werd en zijn land ingenomen, vers 1, enz. dat Mozes, evenals het koninkrijk van Sihon, aan de Rubenieten, Gadieten en de halve stam Manasse gegeven heeft, 12. Jozua wordt tot opvolger van Mozes gesterkt, 21. hoe Mozes, die bad om in het land Kanaan te mogen komen, door God afgewezen werd, 23. en het land hem op een berg getoond werd, 27, 28.
1Daarna keerden wij ons en trokken op, de weg van Bazan; en Og, de koning van Bazan, trok uit ons tegemoet, hij en al zijn volk, ten strijde bij Edreï.
2Toen zei JAHWEH tot mij: Vrees hem niet, want Ik heb hem, en al zijn volk, en zijn land, in uw hand gegeven; en u zult hem doen, zoals u Sihon, de koning van de Amorieten, die te Hesbon woonde, gedaan hebt.
3En JAHWEH, onze God, gaf ook Og, de koning van Bazan, en al zijn volk, in onze hand, zodat wij hem sloegen, totdat wij hem niemand lieten overblijven.
4En wij namen in die tijd al zijn steden; er was geen stad, die wij van hen niet namen: zestig steden, de hele landstreek van Argob, het koninkrijk van Og in Bazan.
5Al die steden waren met hoge muren, poorten en grendels gesterkt, behalve zeer vele onbemuurde steden.
6En wij verbanden ze, zoals wij Sihon, de koning van Hesbon, gedaan hadden, verbannende alle steden, mannen, vrouwen en kinderen.
7Maar al het vee en de roof van die steden roofden wij voor ons.
8Zo namen wij in die tijd het land uit de hand van de twee koningen van de Amorieten, die aan deze zijde van de Jordaan waren, van de beek Arnon tot de berg Hermon toe;
9(De Zidoniërs noemen Hermon Sirjon; maar de Amorieten noemen hem Senir.)
10Al de steden van het platte land, en het hele Gilead, en het hele Bazan, tot Salcha en Edreï toe; steden van het koninkrijk van Og in Bazan.
11Want Og, de koning van Bazan, was alleen van de overigen van de reuzen overgebleven; zie, zijn bedstede, zijnde een bedstede van ijzer, is zij niet te Rabba van de kinderen Ammons? Negen ellen is haar lengte, en vier ellen haar breedte, naar de elleboog van een man.
12Ditzelfde land nu namen wij in die tijd in bezit; van Aroër af, dat aan de beek Arnon is, en de helft van het gebergte van Gilead, met de steden van hetzelfde, gaf ik aan de Rubenieten en Gadieten.
13En het overige van Gilead, en ook het hele Bazan, het koninkrijk van Og, gaf ik aan de halve stam van Manasse, de hele landstreek van Argob, door het hele Bazan; dat werd genoemd het land van de reuzen.
14Jaïr, de zoon van Manasse, kreeg de hele landstreek van Argob, tot aan het gebied van de Gezurieten en Maächathieten; en hij noemde ze naar zijn naam, Bazan Havvoth-Jaïr, tot op deze dag.
15En aan Machir gaf ik Gilead.
16Maar aan de Rubenieten en Gadieten gaf ik van Gilead af tot aan de beek Arnon, het midden van de beek en het gebied; en tot aan de beek Jabbok, het gebied van de kinderen Ammons;
17Daartoe het vlakke veld, en de Jordaan, en ook het gebied; van Cinnereth af tot aan de zee van het vlakke veld, de Zoutzee, onder Asdoth-Pisga tegen het oosten.
18Verder gebood ik u in die tijd, zeggende: JAHWEH, uw God, heeft u dit land gegeven om het te erven; allen dan, die strijdbare mannen bent, trekt gewapend door voor het aangezicht van uw broers, de Israëlieten.
19Behalve uw vrouwen, en uw kinderen, en uw vee (ik weet, dat u veel vee hebt), zij zullen blijven in uw steden, die ik u gegeven heb;
20Totdat JAHWEH uw broers rust geve, zoals u, dat zij ook erven het land, dat JAHWEH, uw God, hun geven zal aan de overzijde van de Jordaan; dan zult u terugkeren, elk tot zijn erfenis, die ik u gegeven heb.
21Ook gebood ik Jozua in die tijd, zeggende: Uw ogen zien alles, wat JAHWEH, uw God, aan deze twee koningen gedaan heeft; zo zal JAHWEH aan alle koninkrijken doen, naar welke u heen doortrekt.
22Vrees ze niet; want JAHWEH, uw God, strijdt voor u.
23Ook bad ik JAHWEH om genade, zeggende in die tijd:
24Adonai JAHWEH! U hebt begonnen Uw knecht te tonen Uw grootheid en Uw sterke hand; want wat God is er in de hemel en op de aarde, die doen kan naar Uw werken, en naar Uw machtige daden!
25Laat mij toch overtrekken, en dat goede land bekijken, dat aan de overzijde van de Jordaan is, dat goede gebergte, en de Libanon!
26Maar JAHWEH verstoorde zich zeer om uwentwille over mij, en hoorde niet naar mij; maar JAHWEH zei tot mij: Het zij u genoeg; spreek niet meer tot Mij van deze zaak.
27Klim op de hoogte van Pisga, en hef uw ogen op naar het westen, en naar het noorden, en naar het zuiden, en naar het oosten, en zie toe met uw ogen; want u zult over deze Jordaan niet gaan.
28Gebied dan Jozua, en versterk hem, en bekrachtig hem; want hij zal voor het aangezicht van dit volk heen overgaan, en zal hun dat land, dat u zien zult, doen erven.
29Zo bleven wij in dit dal tegenover Beth-Peor.