BijbelDeuteronomium

Deuteronomium 31

Lees Deuteronomium 31 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Mozes verklaart voor het volk dat hij spoedig zal sterven en niet in het land Kanaan zal komen, belovend dat God hen door Jozua daarin zal brengen en hun vijanden zal verdelgen, vers 1, enz. hij sterkt en troost Jozua, 7. schrijft dit wetboek en levert het over aan de priesters, Levieten en oudsten, met bevel om het elke zeven jaar voor het hele volk te lezen, 9. God stelt Jozua aan in zijn ambt, 14. en voorzegt Mozes en Jozua de ongehoorzaamheid en afwijking van het volk, met de toekomstige straffen, 16. beveelt Mozes een lied tot waarschuwing en overtuiging van het volk te schrijven en hun dat te leren, 19. Mozes beveelt de Levieten dit wetboek te leggen aan de zijde van de ark van het verbond, 24. gebiedt het hele volk te verzamelen om het lied aan te horen, 28.

1Daarna ging Mozes heen, en sprak deze woorden tot geheel Israël,

2En zei tot hen: Ik ben vandaag honderd en twintig jaar oud; ik zal niet meer kunnen uitgaan en ingaan; daartoe heeft JAHWEH tot mij gezegd: U zult over deze Jordaan niet gaan.

3JAHWEH, uw God, Die zal voor uw aangezicht overgaan; Die zal deze volken van voor uw aangezicht vernietigen, dat u hen erfelijk bezit. Jozua zal voor uw aangezicht overgaan, zoals JAHWEH gesproken heeft.

4En JAHWEH zal hun doen, zoals Hij aan Sihon en Og, koningen van de Amorieten, en aan hun land, gedaan heeft, die Hij vernietigd heeft.

5Wanneer hen nu JAHWEH voor uw aangezicht zal gegeven hebben, dan zult u hun doen naar alle gebod, dat ik u geboden heb.

6Wees sterk en hebt goede moed, en vreest niet, en verschrikt niet voor hun aangezicht; want het is JAHWEH, uw God, Die met u gaat; Hij zal u niet begeven, noch u verlaten.

7En Mozes riep Jozua, en zei tot hem voor de ogen van geheel Israël: Wees sterk en heb goede moed, want u zult met dit volk ingaan in het land dat JAHWEH hun vaders gezworen heeft, hun te zullen geven; en u zult het hun doen erven.

8JAHWEH nu is Degene, Die voor uw aangezicht gaat; Die zal met u zijn; Hij zal u niet begeven, noch u verlaten; vrees niet, en ontzet u niet.

9En Mozes schreef deze wet, en gaf ze aan de priesters, de zonen van Levi, die de ark van het verbond van JAHWEH droegen, en aan alle oudsten van Israël.

10En Mozes gebood hun, zeggende: Ten einde van zeven jaren, op de gezette tijd van het jaar van de vrijlating, op het feest van de loofhutten.

11Als geheel Israël zal komen, om te verschijnen voor het aangezicht van JAHWEH, van uw God, in de plaats, die Hij zal gekozen hebben, zult u deze wet voor geheel Israël uitroepen, voor hun oren;

12Verzamelt het volk, de mannen, en de vrouwen, en de kinderen, en uw vreemdelingen, die in uw poorten zijn; opdat zij horen, en opdat zij leren, en vrezen JAHWEH, uw God, en waarnemen te doen alle woorden van deze wet.

13En dat hun kinderen, die het niet geweten hebben, horen en leren, om te vrezen JAHWEH, uw God, al de dagen, die u leeft op het land, naar dat u over de Jordaan bent heengaande, om dat te erven.

14En JAHWEH zei tot Mozes: Zie, uw dagen zijn genaderd, om te sterven; roep Jozua, en stelt u in de tent van de samenkomst, dat Ik hem bevel geve. Zo ging Mozes, en Jozua, en zij stelden zich in de tent van de samenkomst.

15Toen verscheen JAHWEH in de tent, in de wolkkolom; en de wolkkolom stond boven de deur van de tent.

16En JAHWEH zei tot Mozes: Zie, u zult slapen met uw vaders; en dit volk zal opstaan, en nahoereren de goden van de vreemden van dat land, waar het naar toe gaat, in het midden van hetzelfde; en het zal Mij verlaten en vernietigen Mijn verbond, dat Ik met hetzelfde gemaakt heb.

17Zo zal Mijn toorn op die dag tegen hetzelfde ontsteken, en Ik zal hen verlaten, en Mijn aangezicht van hen verbergen, dat zij tot voedsel zijn, en vele kwaden en benauwdheden zullen het treffen; dat het op die dag zal zeggen: Hebben mij deze kwaden niet getroffen, omdat mijn God in het midden van mij niet is?

18Ik dan zal Mijn aangezicht op die dag geheel verbergen, om al het kwaad, dat het gedaan heeft; want het heeft zich gewend tot andere goden.

19En nu, schrijft u dit lied, en leert het de Israëlieten; legt het in hun mond; opdat dit lied Mij tot getuige zij tegen de Israëlieten.

20Want Ik zal dit volk inbrengen in het land, dat Ik zijn vaders gezworen heb, vloeiende van melk en honing, en het zal eten, en verzadigd, en vet worden; dan zal het zich wenden tot andere goden, en hen dienen, en zij zullen Mij tergen, en Mijn verbond vernietigen.

21En het zal gebeuren, wanneer vele kwaden en benauwdheden hetzelfde zullen treffen, dan zal dit lied voor zijn aangezicht antwoorden tot getuige; want het zal uit de mond van zijn zaad niet vergeten worden; omdat Ik weet zijn maaksel dat het vandaag maakt, voordat Ik het inbreng in het land, dat Ik gezworen heb.

22Zo schreef Mozes dit lied op die dag, en hij leerde het de Israëlieten.

23En Hij gebood Jozua, de zoon van Nun, en zei: Wees sterk en heb goede moed, want u zult de Israëlieten inbrengen in het land, dat Ik hun gezworen heb; en Ik zal met u zijn.

24En het gebeurde, als Mozes voltooid had de woorden van deze wet te schrijven in een boek, totdat zij voltrokken waren;

25Zo gebood Mozes de Levieten, die de ark van het verbond van JAHWEH droegen, zeggende:

26Neem dit wetboek, en legt het aan de zijde van de ark van het verbond van JAHWEH, van uw God, dat het daar zij tot getuige tegen u.

27Want ik ken uw opstandigheid, en uw harde nek. Zie, terwijl ik nog vandaag met u leve, bent u opstandig geweest tegen JAHWEH; hoe veel te meer na mijn dood!

28Verzamelt tot mij al de oudsten van uw stammen, en uw voormannen; dat ik voor hun oren deze woorden spreke, en tegen hen de hemel en de aarde tot getuigen neme.

29Want ik weet, dat u het na mijn dood zeker zult verderven, en afwijken van de weg, die ik u geboden heb; dan zal u dit kwaad in het laatste van de dagen ontmoeten, wanneer u zult gedaan hebben, dat kwaad is in de ogen van JAHWEH, om Hem door het werk van uw handen tot toorn te verwekken.

30Toen sprak Mozes, voor de oren van de hele gemeente van Israël, de woorden van dit lied, totdat zij voltrokken waren.