Deuteronomium 32
Lees Deuteronomium 32 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Het goddelijke lied, waarin zeer heerlijk geroemd worden zowel God zelf als zijn overgrote weldaden aan Israel, vers 1 tot 5 en vers 7 tot 15. en waarin daartegenover zeer krachtig hun gruwelijke ondankbaarheid gelaakt wordt, 5, 6, 15, enz. Gods toorn en toekomstige straffen voorgesteld, 19. zonder echter de afgodische gruwelen van de vijanden van zijn volk te ontzien, 31. waarop God dan zijn volk weer troost, belovend dat hij zich op zijn en hun afgodische vijanden zal wreken, zijn kerk met zich zal verzoenen, verheugen en ook onder de heidenen zal uitbreiden, 36. Wanneer Mozes dit lied uitgesproken heeft, vermaant hij hen opnieuw om Gods woord tot hun eigen welzijn te betrachten, 44. en hij ontvangt diezelfde dag bevel om het land Kanaan vanaf een berg te zien en daar te sterven, 48.
1Neig de oren, u hemel, en ik zal spreken; en de aarde hore de redenen van mijn mond.
2Mijn leer druipe als een regen, mijn rede vloeie als een dauw; als een stofregen op de grasscheutjes, en als druppelen op het kruid.
3Want ik zal de Naam van JAHWEH uitroepen; geef onze God grootheid!
4Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is; want al Zijn wegen zijn recht. God is waarheid, en is geen onrecht; rechtvaardig en recht is Hij.
5Hij heeft het tegen Hem verdorven; het zijn Zijn kinderen niet; de schandvlek is hun; het is een verkeerd en verdraaid geslacht.
6Zult u dit JAHWEH vergelden, u, dwaas en onwijs volk! Is Hij niet uw Vader, Die u verkregen, Die u gemaakt en u bevestigd heeft?
7Gedenk aan de dagen van ouds; merk op de jaren van elk geslacht; vraag uw vader, die zal het u bekend maken, uw ouden, en zij zullen het u zeggen.
8Toen de Allerhoogste aan de volken de erfenis uitdeelde, toen Hij Adams kinderen vaneen scheidde, heeft Hij het gebied van de volken gesteld naar het getal van de Israëlieten.
9Want het deel van JAHWEH is Zijn volk, Jakob is het snoer van Zijn erfenis.
10Hij vond hem in een land van de woestijn, en in een woeste huilende wildernis; Hij voerde hem rondom, Hij onderwees hem, Hij bewaarde hem als Zijn oogappel.
11Zoals een adelaar zijn nest opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn vleugels uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijn vlerken;
12Zo leidde hem JAHWEH alleen, en er was geen vreemd god met hem.
13Hij deed hem rijden op de hoogten van de aarde, dat hij at de inkomsten van het veld; en Hij deed hem honing zuigen uit de steenrots, en olie uit de kei van de rots;
14Boter van koeien, en melk van klein vee, met het vet van de lammeren en van de rammen, die in Bazan weiden, en van de bokken, met het vette van de nieren van tarwe; en het druivenbloed, reine wijn, hebt u gedronken.
15Als nu Jeschurun vet werd, zo sloeg hij achteruit (u bent vet, u bent dik, ja, met vet overdekt geworden!); en hij liet God varen, Die hem gemaakt heeft, en versmaadde de Rotssteen van zijn heil.
16Zij hebben Hem tot ijver verwekt door vreemde goden; door gruwelijke dingen hebben zij Hem tot toorn verwekt.
17Zij hebben aan de demonen geofferd, niet aan God; aan de goden, die zij niet kenden; nieuwe, die van nabij gekomen waren, voor die uw vaders niet geschrikt hebben.
18De Rotssteen, Die u gegenereerd heeft, hebt u vergeten; en u hebt in vergetenis gesteld de God, Die u gebaard heeft.
19Als JAHWEH zag, zo versmaadde Hij hen, uit boosheid tegen zijn zonen en zijn dochters.
20En Hij zei: Ik zal Mijn aangezicht van hen verbergen; Ik zal zien, welk hun einde zal wezen; want zij zijn een geheel verkeerd geslacht, kinderen, in wie geen trouw is.
21Zij hebben Mij tot ijver verwekt door wat geen God is; zij hebben Mij tot toorn verwekt door hun zinloosheden; Ik dan zal hen tot ijver verwekken door diegenen, die geen volk zijn; door een dwaas volk zal Ik hen tot toorn verwekken.
22Want een vuur is aangestoken in Mijn toorn, en zal bernen tot in het onderste dodenrijk, en zal het land met zijn inkomst verteren, en de gronden van de bergen in vlam zetten.
23Ik zal kwaden over hen hopen; Mijn pijlen zal Ik op hen verschieten.
24Uitgeteerd zullen zij zijn van honger, opgegeten van de brandende pest en bitter verderf; en Ik zal de tanden van de beesten onder hen schikken, met vurig gif van slangen van het stof.
25Van buiten zal het zwaard beroven, en uit de binnenkameren de verschrikking; ook de jongeling, ook het meisje, het zuigende kind met de grijze man.
26Ik zei: In alle hoeken zou Ik hen verstrooien; Ik zou hun herinnering van onder de mensen doen ophouden;
27Ten ware, dat Ik de boosheid van de vijand schroomde, dat niet hun tegenstanders zich vreemd mochten houden; dat zij niet mochten zeggen: Onze hand is hoog geweest; JAHWEH heeft dit alles niet gewerkt.
28Want zij zijn een volk, dat door raadslagen verloren gaat, en er is geen verstand in hen.
29O, dat zij wijs waren; zij zouden dit vernemen, zij zouden op hun einde merken.
30Hoe zou één enige duizend jagen, en twee tien duizend doen vluchten, ten ware, dat hun Rotssteen hen verkocht, en JAHWEH hen overgeleverd had?
31Want hun rotssteen is niet zoals onze Rotssteen, zelfs onze vijanden rechters zijnde.
32Want hun wijnstok is uit de wijnstok van Sodom, en uit de velden van Gomorra; hun wijndruiven zijn vergiftige wijndruiven; zij hebben bittere bessen.
33Hun wijn is vurig drakenvenijn, en een wreed adderenvergift.
34Is dat niet bij Mij opgesloten, verzegeld in Mijn schatten?
35Van Mij is de wraak en de vergelding, ten tijde als hun voet zal wankelen; want de dag van hun ondergang is nabij, en de dingen, die hun zullen gebeuren, haasten.
36Want JAHWEH zal aan Zijn volk recht doen, en het zal Hem over Zijn knechten berouwen; want Hij zal zien, dat de hand is weggegaan, en de beslotene en verlatene niets is.
37Dan zal Hij zeggen: Waar zijn hun goden; de rotssteen, op welke zij betrouwden?
38Van wie de slachtoffers vet zij aten, van wie de drankoffers wijn zij dronken; dat zij opstaan en u helpen, dat er plek om te schuilen voor u zij.
39Zie nu, dat Ik, Ik DIE ben, en geen God met Mij, Ik dood en maak levend; Ik versla en Ik heel; en er is niemand, die uit Mijn hand redt!
40Want Ik zal Mijn hand naar de hemel opheffen, en Ik zal zeggen: Ik leef in eeuwigheid!
41Als Ik Mijn glinsterend zwaard slijp, en Mijn hand ten gerichte grijpt, zo zal Ik wraak op Mijn tegenstanders doen terugkeren, en Mijn vijanden vergelden.
42Ik zal Mijn pijlen dronken maken van bloed, en Mijn zwaard zal vlees eten; van het bloed van de verslagenen en van de gevangenen, van het hoofd af zullen er wraken van de vijand zijn.
43Juich, u heidenen, met Zijn volk! want Hij zal het bloed van Zijn knechten wreken; en Hij zal de wraak op Zijn tegenstanders doen terugkeren, en verzoenen Zijn land en Zijn volk.
44En Mozes kwam, en sprak al de woorden van dit lied voor de oren van het volk, hij en Hosea, de zoon van Nun.
45Als nu Mozes geëindigd had al die woorden tot geheel Israël te spreken;
46Zo zei hij tot hen: Zet uw hart op al de woorden, die ik vandaag onder u betuige, dat u ze uw kinderen gebieden zult, dat zij waarnemen te doen al de woorden van deze wet.
47Want dat is geen vergeefs woord voor u; maar het is uw leven; en door dit woord zult u de dagen verlengen op het land, waar u over de Jordaan naar toe gaat, om dat te erven.
48Daarna sprak JAHWEH tot Mozes, op die dag, zeggende:
49Klim op de berg Abarim (deze is de berg Nebo, die in het land van Moab is, die tegenover Jericho is), en zie het land Kanaän, dat Ik de Israëlieten tot een bezitting geven zal;
50En sterf op die berg, waarheen u opklimmen zult, en word met uw voorgeslacht verenigd; zoals uw broer Aäron stierf op de berg Hor, en werd met zijn voorgeslacht verenigd.
51Omdat u zich tegen Mij vergrepen hebt, in het midden van de Israëlieten, aan het twistwater te Kades, in de woestijn Zin; omdat u Mij niet geheiligd hebt in het midden van de Israëlieten.
52Want van tegenover zult u dat land zien, maar daarheen niet inkomen, in het land, dat Ik de Israëlieten geven zal.