Deuteronomium 4
Lees Deuteronomium 4 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Vermaningen om Gods geboden te onderhouden zonder die enigszins te veranderen, vers 1, enz. met voorstelling zowel van de straffen voor de ongehoorzamen, 3. als van de zegen en lof voor de gehoorzamen, 4. Verhaal van het geven van de wet, 9. uitvoerig en ernstig verbod van allerlei afgoderij door beelden en afbeeldingen, met zware dreigementen en troostrijke beloften, 15. Verhaal van Gods bijzondere weldaden aan Israel bewezen, die hen tot gehoorzaamheid behoren te bewegen, 32. Verordening van drie vrijsteden aan deze zijde van de Jordaan, 41. Inleiding op de volgende herhaling van de wetten van God, 44.
1Nu dan, Israël! hoor naar de voorschriften en naar de rechten, die ik u lere te doen; opdat u leeft, en heen inkomt, en erft het land, dat JAHWEH, uw vaders God, u geeft.
2U zult tot dit woord, dat ik u gebiede, niet toedoen, ook daarvan niet afdoen; opdat u bewaart de geboden van JAHWEH, uw God, die ik u gebiede.
3Uw ogen hebben gezien, wat God om Baäl-peor gedaan heeft; want alle man, die Baäl-peor navolgde, die heeft JAHWEH, uw God, uit het midden van u weggevaagd.
4U daarentegen, die JAHWEH, uw God, aanhingt, u bent vandaag allen levende.
5Zie, ik heb u geleerd de voorschriften en rechten, zoals JAHWEH, mijn God, mij geboden heeft; opdat u zo doet in het midden van het land, waar u naar toe gaat, om het te erven.
6Behoud ze dan, en doet ze; want dat zal uw wijsheid en uw verstand zijn voor de ogen van de volken, die al deze voorschriften horen zullen, en zeggen: Dit grote volk alleen is een wijs en verstandig volk!
7Want wat groot volk is er, dat de goden zo nabij zijn als JAHWEH, onze God, telkens als wij Hem aanroepen?
8En wat groot volk is er, dat zo rechtvaardige voorschriften en rechten heeft, als deze hele wet is, die ik vandaag voor uw aangezicht geef?
9Alleen wees op uw hoede, en bewaart uw ziel wel, dat u niet vergeet de dingen, die uw ogen gezien hebben; en dat zij niet van uw hart wijken, al de dagen van uw leven; en u zult ze aan uw kinderen en uw kleinkinderen bekend maken.
10Op de dag als u voor het aangezicht van JAHWEH, van uw God, aan Horeb stond, als JAHWEH tot mij zei: Vergader Mij dit volk, en Ik zal hun Mijn woorden doen horen, die zij zullen leren, om Mij te vrezen al de dagen, die zij op de aardbodem zullen leven, en zij zullen ze hun kinderen leren;
11En u naderde en stond beneden die berg; (die berg nu brandde van vuur, tot aan het midden van de hemel; er was duisternis, wolken en donkerheid).
12Zo sprak JAHWEH tot u uit het midden van het vuur; u hoorde de stem van de woorden; maar u zag geen gelijkenis, behalve de stem.
13Toen verkondigde Hij u Zijn verbond, dat Hij u gebood te doen, de tien woorden, en schreef ze op twee stenen tafelen.
14Ook gebood mij JAHWEH in die tijd, dat ik u voorschriften en rechten leren zou; opdat u die deed in dat land, naar dat u doortrekt, om dat te erven.
15Wees dan wel op uw hoede voor uw zielen; want u hebt geen gelijkenis gezien, op de dag als JAHWEH op Horeb uit het midden van het vuur tot u sprak;
16Opdat u zich niet verderft, en maakt u iets gesnedens, de afbeelding van enig beeld, de gedaante van man of vrouw,
17De gedaante van enig beest, dat op de aarde is; de gedaante van enige gevleugelde vogel, die door de hemel vliegt;
18De gedaante van iets, dat op de aardbodem kruipt; de gedaante van enige vis, die in het water is onder de aarde;
19Dat u ook uw ogen niet opheft naar de hemel, en aanziet de zon, en de maan, en de sterren, het hele leger van de hemel; en wordt aangedreven, dat u zich voor die buigt, en hen dient; die JAHWEH, uw God, aan alle volken onder de gehele hemel heeft uitgedeeld.
20Maar u heeft JAHWEH aangenomen, en uit de ijzeroven, uit Egypte, uitgevoerd; opdat u Hem tot een erfvolk zou zijn, zoals het op deze dag is.
21Ook vertoornde Zich JAHWEH over mij, om uw woorden; en Hij zwoer, dat ik over de Jordaan niet zou gaan, en dat ik niet zou komen in dat goede land, dat JAHWEH, uw God, u ter erfenis geven zal.
22Want ik zal in dit land sterven; ik zal over de Jordaan niet gaan; maar u zult er overgaan, en dat goede land erven.
23Pas op dat u het verbond van JAHWEH, van uw God, dat Hij met u gemaakt heeft, niet vergeet, dat u zich een gesneden beeld zou maken, de afbeelding van iets, dat JAHWEH, uw God, u verboden heeft.
24Want JAHWEH, uw God, is een verterend vuur, een jaloers God.
25Wanneer u nu kinderen en kleinkinderen verwekt zult hebben, en in het land oud geworden zult zijn, en u zich zult verderven, dat u gesneden beelden maakt, de afbeelding van enig ding, en doet, wat kwaad is in de ogen van JAHWEH, van uw God, om Hem tot toorn te verwekken;
26Zo roep ik vandaag de hemel en de aarde tot getuige tegen u, dat u voorzeker haast zult omkomen van dat land, waar u over de Jordaan naar toe trekt, om dat te erven; u zult uw dagen daarin niet verlengen, maar geheel vernietigd worden.
27En JAHWEH zal u verstrooien onder de volken; en u zult een klein volkje in getal overblijven onder de heidenen, waar JAHWEH u heen leiden zal.
28En daar zult u goden dienen, die van de mensen handenwerk zijn, hout en steen, die niet zien, noch horen, noch eten, noch ruiken.
29Dan zult u van daar JAHWEH, uw God, zoeken, en vinden; als u Hem zoeken zult met uw hele hart en met uw hele ziel.
30Wanneer u in angst zult zijn, en u al deze dingen zullen treffen; in het laatste van de dagen, dan zult u terugkeren tot JAHWEH, uw God, en Zijn stem gehoorzaam zijn.
31Want JAHWEH, uw God, is een barmhartig God; Hij zal u niet verlaten, noch u verderven; en Hij zal het verbond van uw vaders, dat Hij hun gezworen heeft, niet vergeten.
32Want, vraag toch naar de vorige dagen, die voor u geweest zijn, van die dag af, dat God de mens op de aarde geschapen heeft, van het ene einde van de hemel tot aan het andere einde van de hemel, of zulk een groot ding gebeurd of gehoord zij, als dit:
33Of een volk gehoord hebbe de stem van God, sprekende uit het midden van het vuur, zoals u gehoord hebt, en levend zij gebleven?
34Of: of God verzocht heeft te gaan, om Zich een volk uit het midden van een volk aan te nemen, door verzoekingen, door tekenen, en door wonderen, en door strijd, en door een sterke hand, en door een uitgestrekte arm, en met grote verschrikkingen; naar al wat JAHWEH, uw God, u voor uw ogen in Egypte gedaan heeft?
35U is het getoond, opdat u weet, dat JAHWEH die God is; er is niemand meer dan Hij alleen!
36Van de hemel heeft Hij u Zijn stem laten horen, om u te onderwijzen; en op de aarde heeft Hij u Zijn groot vuur doen zien; en u hebt Zijn woorden uit het midden van het vuur gehoord.
37En omdat Hij uw vaders liefhad, en hun zaad na hen gekozen had, zo heeft Hij u voor Zijn aangezicht door Zijn grote kracht uit Egypte uitgevoerd;
38Om volken, die groter en machtiger waren dan u, voor uw aangezicht uit de bezitting te verdrijven; om u in te brengen, dat Hij u hun land ter erfenis gave, als het op deze dag is.
39Zo zult u vandaag weten, en in uw hart hervatten, dat JAHWEH die God is, boven in de hemel, en onder op de aarde, niemand meer!
40En u zult houden Zijn voorschriften en Zijn geboden, die ik u vandaag gebiede, opdat het u en uw kinderen na u welga, en opdat u de dagen verlengt in het land, dat JAHWEH, uw God, u geeft, voor altijd.
41Toen scheidde Mozes drie steden uit, aan deze zijde van de Jordaan, tegen de opgang van de zon;
42Opdat daarheen vluchtte de moordenaar, die zijn naaste onwetend doodslaat, die hij van gisteren en eergisteren niet haatte; dat hij in één van deze steden vluchtte en levend bleef;
43Bezer in de woestijn, in het effen land, voor de Rubenieten; en Ramoth in Gilead, voor de Gadieten; en Golan in Bazan, voor de Manassieten.
44Dit is nu de wet, die Mozes de Israëlieten voorstelde:
45Dit zijn de getuigenissen, en de voorschriften, en de rechten, die Mozes sprak tot de Israëlieten, als zij uit Egypte waren uitgetrokken;
46Aan deze zijde van de Jordaan, in het dal tegenover Beth-Peor, in het land van Sihon, de koning van de Amorieten, die te Hesbon woonde; die Mozes sloeg, en de Israëlieten, als zij uit Egypte waren uitgetrokken,
47En zijn land in bezitting genomen hadden; daartoe het land van Og, koning van Bazan; twee koningen van de Amorieten, die aan deze zijde van de Jordaan waren, tegen de opgang van de zon;
48Van Aroër af, dat aan de oever van de beek Arnon is, tot aan de berg Sion, die is Hermon;
49En al het vlakke veld, aan deze zijde van de Jordaan, naar het oosten, tot aan de zee van het vlakke veld, onder Asdoth-pisga.