BijbelDeuteronomium

Deuteronomium 5

Lees Deuteronomium 5 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Herhaling van de tien geboden van God, met een inleiding, vers 1, enz. over de verschrikking en het verzoek van het volk dat zij de stem van God zo niet meer mochten horen, maar dat God in plaats van Mozes met hen wilde spreken, 22. Dit staat de HEERE toe, 30. vermaning tot gehoorzaamheid, 32.

1En Mozes riep het hele Israël, en zei tot hen: Hoor, Israël! de voorschriften en rechten, die ik vandaag voor uw oren spreek, dat u ze leert en waarneemt, daarom te doen.

2JAHWEH, onze God, heeft een verbond met ons gemaakt aan Horeb.

3Met onze vaders heeft JAHWEH dit verbond niet gemaakt, maar met ons, wij die hier vandaag allen levend zijn.

4Van aangezicht tot aangezicht heeft JAHWEH met u op de berg gesproken uit het midden van het vuur,

5(Ik stond in die tijd tussen JAHWEH en tussen u, om u het woord van JAHWEH aan te zeggen; want u vreesde voor het vuur en klom niet op de berg) zeggende:

6Ik ben JAHWEH, uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis uitgeleid heb.

7U zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.

8U zult u geen gesneden beeld maken, noch enige afbeelding, van wat boven in de hemel, of onder op de aarde is; of in het water onder de aarde is;

9U zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, JAHWEH, uw God, ben een jaloers God, Die de misdaad van de vaders bezoek aan de kinderen, en aan het derde, en aan het vierde geslacht van degenen, die Mij haten;

10En doe barmhartigheid aan duizenden van degenen, die Mij liefhebben, en Mijn geboden onderhouden.

11U zult de Naam van JAHWEH, van uw God, niet zinloos gebruiken; want JAHWEH zal niet onschuldig houden degene, die Zijn Naam zinloos gebruikt.

12Onderhoud de sabbatdag, dat u die heiligt; zoals JAHWEH, uw God, u geboden heeft.

13Zes dagen zult u arbeiden, en al uw werk doen;

14Maar de zevende dag is de sabbat van JAHWEH, van uw God; dan zult u geen werk doen, u, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienaar, noch uw dienstmaagd, noch uw os, noch uw ezel, noch enig van uw vee, noch de vreemdeling, die in uw poorten is; opdat uw dienaar, en uw dienstmaagd ruste, zoals u.

15Want u zult gedenken, dat u een dienaar in Egypteland geweest bent, en dat JAHWEH, uw God, u van daar heeft uitgeleid door een sterke hand en een uitgestrekte arm; daarom heeft u JAHWEH, uw God, geboden, dat u de sabbatdag houden zult.

16Eer uw vader, en uw moeder, zoals JAHWEH, uw God, u geboden heeft, opdat uw dagen verlengd worden, en opdat het u welga in het land, dat u JAHWEH, uw God, geven zal.

17U zult niet doodslaan.

18En u zult geen overspel doen.

19En u zult niet stelen.

20En u zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.

21En u zult niet begeren de vrouw van uw naaste; en u zult u niet laten gelusten het huis van uw naaste, zijn akker, noch zijn dienaar, noch zijn dienstmaagd, zijn os, noch zijn ezel, noch iets, dat van uw naasten is.

22Deze woorden sprak JAHWEH tot uw hele gemeente, op de berg, uit het midden van het vuur, van de wolk en van de donkerheid, met een luide stem, en deed daar niets toe; en Hij schreef ze op twee stenen tafelen, en gaf ze mij.

23En het gebeurde, als u die stem uit het midden van de duisternis hoorde, en de berg van vuur brandde, zo naderde u tot mij, alle hoofden van uw stammen, en uw oudsten,

24En zei: Zie, JAHWEH, onze God, heeft ons Zijn heerlijkheid en Zijn grootheid laten zien, en wij hebben Zijn stem gehoord uit het midden van het vuur; deze dag hebben wij gezien, dat God met de mens spreekt, en dat hij levend blijft.

25Maar nu, waarom zouden wij sterven? Want dit grote vuur zou ons verteren; als wij doorgingen de stem van JAHWEH, van onze God, langer te horen, zo zouden wij sterven.

26Want wie is er van alle vlees, die de stem van de levende God, sprekende uit het midden van het vuur, gehoord heeft zoals wij, en is levend gebleven?

27Nader u, en hoor alles, wat JAHWEH, onze God, zeggen zal; en spreek u tot ons al wat JAHWEH, onze God, tot u spreken zal, en wij zullen het horen en doen.

28Als nu JAHWEH de stem van uw woorden hoorde, toen u tot mij sprak, zo zei JAHWEH tot mij: Ik heb gehoord de stem van de woorden van dit volk, die zij tot u gesproken hebben; het is allemaal goed, dat zij gesproken hebben.

29Och, dat zij zulk een hart hadden, om Mij te vrezen, en al Mijn geboden altijd te onderhouden; opdat het hun en hun kinderen goed zou gaan in eeuwigheid!

30Ga, zeg hun: Keer weer naar uw tenten.

31Maar u, sta hier bij Mij, dat Ik tot u spreke al de geboden, en voorschriften, en rechten, die u hun leren zult, dat zij ze doen in het land, dat Ik hun geven zal, om dat te erven.

32Neem dan waar, dat u doet, zoals JAHWEH, uw God, u geboden heeft; en wijkt niet af ter rechterhand, noch ter linkerhand.

33In al de weg, die JAHWEH, uw God, u gebiedt, zult u gaan; opdat u leeft, en dat het u welga, en u de dagen verlengt in het land, dat u erven zult.