BijbelDeuteronomium

Deuteronomium 7

Lees Deuteronomium 7 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Hoe de kinderen van Israel zich moesten gedragen tegenover de heidense inwoners van Kanaan en hun afgoderijen, vers 1, enz. de heerlijkheid van Israel boven alle volken, met de oorzaak daarvan, 6. Beloften van velerlei zegeningen, indien zij God gehoorzaam zullen zijn, 9. Troost en versterking tegen het grote aantal en de macht van de heidense volken, 17. Verbod om het zilver en goud van de afgoden te behouden, 25.

1Wanneer u JAHWEH, uw God, zal gebracht hebben in het land, waar u naar toe gaat, om dat te erven; en Hij vele volken voor uw aangezicht zal hebben uitgeworpen, de Hethieten, en de Girgasieten, en de Amorieten, en de Kanaänieten, en de Ferezieten, en de Hevieten, en de Jebusieten, zeven volken, die meerder en machtiger zijn dan u;

2En JAHWEH, uw God, hen zal gegeven hebben voor uw aangezicht, dat u ze slaat; zo zult u hen geheel verbannen; u zult geen verbond met hen maken, noch hun genadig zijn.

3U zult u ook met hen niet vermaagschappen; u zult uw dochters niet geven aan hun zonen, en hun dochters niet nemen voor uw zonen.

4Want zij zouden uw zonen van Mij doen afwijken, dat zij andere goden zouden dienen; en de toorn van JAHWEH zou tegen u ontsteken, en u haast vernietigen.

5Maar zo zult u hun doen: hun altaren zult u afwerpen, en hun opgerichte beelden verbreken, en hun bossen zult u afhouwen, en hun gesnedene beelden met vuur verbranden.

6Want u bent een heilig volk voor JAHWEH, uw God; u heeft JAHWEH, uw God, gekozen, dat u Hem tot een eigendomsvolk zou zijn uit alle volken, die op de aardbodem zijn.

7JAHWEH heeft geen lust tot u gehad, noch u gekozen, om uw veelheid boven alle andere volken; want u was het kleinste van alle volken.

8Maar omdat JAHWEH u liefhad, en opdat Hij hield de eed, die Hij uw vaders gezworen had, heeft u JAHWEH met een sterke hand uitgevoerd, en heeft u verlost uit het diensthuis, uit de hand van Farao, koning van Egypte.

9U zult dan weten, dat JAHWEH, uw God, die God is, die getrouwe God, die het verbond en de goedertierenheid houdt aan degenen, die Hem liefhebben, en Zijn geboden houden tot in duizend geslachten.

10En Hij vergeldt een ieder van hen, die Hem haten, in zijn aangezicht, om hem te verderven; Hij zal het Zijn vijand niet vertrekken, in zijn aangezicht zal Hij het hem vergelden.

11Houd dan de geboden, en de voorschriften, en de rechten, die ik u vandaag gebiede, om die te doen.

12Zo zal het gebeuren, omdat u deze rechten zult horen, en houden, en die doen, dat JAHWEH, uw God, u het verbond en de goedertierenheid zal houden, die Hij uw vaders gezworen heeft;

13En Hij zal u liefhebben, en zal u zegenen, en u doen vermenigvuldigen; en Hij zal zegenen de vrucht van uw buik, en de vrucht van uw land, uw koren, en uw nieuwe wijn, en uw olie, de voortzetting van uw koeien, en de kudden van uw klein vee, in het land, dat Hij aan uw vaders gezworen heeft u te geven.

14Gezegend zult u zijn boven alle volken; er zal onder u noch man noch vrouw onvruchtbaar zijn, ook niet onder uw beesten;

15En JAHWEH zal alle ziekte van u afweren, en Hij zal u geen van de kwade ziekten van de Egyptenaren, die u kent, opleggen, maar zal ze leggen op allen, die u haten.

16U zult dan al die volken verteren, die JAHWEH, uw God, u geven zal; uw oog zal hen niet sparen, en u zult hun goden niet dienen; want dat zou u een strik zijn.

17Zo u in uw hart zei: Deze volken zijn meerder dan ik; hoe zou ik hen uit de bezitting kunnen verdrijven?

18Vrees niet voor hen; gedenk steeds, wat JAHWEH, uw God, aan Farao en aan alle Egyptenaren gedaan heeft;

19De grote verzoekingen, die uw ogen gezien hebben, en de tekenen, en de wonderen, en de sterke hand, en de uitgestrekte arm, door welke u JAHWEH, uw God, heeft uitgevoerd; zo zal JAHWEH, uw God, doen aan alle volken, voor wier aangezicht u vreest.

20Daartoe zal JAHWEH, uw God, ook horzels onder hen zenden; totdat zij omkomen, die overgebleven, en voor uw aangezicht verborgen zijn.

21Ontzet u niet voor hun aangezicht; want JAHWEH, uw God, is in het midden van u, een groot en vreselijk God.

22En JAHWEH, uw God, zal deze volken voor uw aangezicht geleidelijk uitwerpen; haastig zult u hen niet mogen te niet doen, opdat het wild van het veld niet tegen u vermenigvuldige.

23En JAHWEH zal hen geven voor uw aangezicht, en Hij zal hen verschrikken met grote verschrikking, totdat zij vernietigd worden.

24Ook zal Hij hun koningen in uw hand geven, dat u hun naam van onder de hemel te niet doet; geen man zal voor uw aangezicht bestaan, voordat u hen zult hebben vernietigd.

25De gesneden beelden van hun goden zult u met vuur verbranden; het zilver en goud, dat daaraan is, zult u niet begeren, noch voor u nemen, opdat u daardoor niet verstrikt wordt; want dat is JAHWEH, uw God, een gruwel.

26U zult dan de gruwel in uw huis niet brengen, dat u een ban zou worden, zoals dat is; u zult het geheel verafschuwen, en volledig een gruwel daarvan hebben, want het is een ban.