BijbelDeuteronomium

Deuteronomium 8

Lees Deuteronomium 8 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Vermaning tot gehoorzaamheid, door verhaal van vele grote weldaden van God aan Israel bewezen, vers 1, enz. Eveneens door een beschrijving van de schoonheid en vruchtbaarheid van het beloofde land, 7. met waarschuwingen tegen hoogmoed en het vergeten van God en zijn weldaden, 10. en ook dreigementen van zware straffen indien zij het tegendeel zouden doen, 19.

1Alle geboden, die ik u vandaag gebiede, zult u waarnemen om te doen, opdat u leeft, en vermenigvuldigt, en inkomt, en het land erft, dat JAHWEH aan uw vaders gezworen heeft.

2En u zult gedenken aan al de weg, die u JAHWEH, uw God, deze veertig jaren in de woestijn geleid heeft; opdat Hij u verootmoedige, om u te verzoeken, om te weten, wat in uw hart was, of u Zijn geboden zou houden, of niet.

3En Hij verootmoedigde u, en liet u hongeren, en spijsde u met het Man, dat u niet kende, noch uw vaders gekend hadden; opdat Hij u bekend maakte, dat de mens niet alleen van het brood leeft, maar dat de mens leeft van alles, wat uit de mond van JAHWEH uitgaat.

4Uw kleding is aan u niet verouderd, en uw voet is niet gezwollen, deze veertig jaren.

5Bekent dan in uw hart, dat JAHWEH, uw God, u straft, zoals een man zijn zoon straft.

6En houdt de geboden van JAHWEH, van uw God, om in Zijn wegen te wandelen, en om Hem te vrezen.

7Want JAHWEH, uw God, brengt u in een goed land, een land van waterbeken, fonteinen en diepten, die in dalen en in bergen uitvlieten;

8Een land van tarwe en gerst, en wijnstokken, en vijgebomen, en granaatappels; een land van olierijke olijfbomen, en van honing;

9Een land, waarin u brood zonder schaarsheid eten zult, waarin u niets ontbreken zal; een land, waarvan de stenen ijzer zijn, en waarvan u uit de bergen koper uithouwen zult.

10Als u dan zult gegeten hebben, en verzadigd zijn, zo zult u JAHWEH, uw God, loven over dat goede land, dat Hij u zal hebben gegeven.

11Pas op dat u JAHWEH, uw God, niet vergeet, dat u niet zou houden Zijn geboden, en Zijn rechten, en Zijn voorschriften, die ik u vandaag gebiede;

12Opdat niet misschien, als u zult gegeten hebben, en verzadigd zijn, en goede huizen gebouwd hebben, en die bewonen,

13En uw runderen en uw schapen zullen vermeerderd zijn, ook zilver en goud u zal vermeerderd zijn, ja, al wat u hebt vermeerderd zal zijn;

14Uw hart zich dan verheffe, dat u vergeet JAHWEH, uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgevoerd heeft;

15Die u geleid heeft in die grote en vreselijke woestijn, waar vurige slangen, en schorpioenen, en dorheid, waar geen water was; Die u water uit de keiachtige rots voortbracht;

16Die u in de woestijn spijsde met Man, dat uw vaders niet gekend hadden; om u te verootmoedigen, en om u te verzoeken, opdat Hij u ten laatste weldeed;

17En u in uw hart zegt: Mijn kracht, en de sterkte van mijn hand heeft mij dit vermogen verkregen.

18Maar u zult gedenken JAHWEH, uw God, dat Hij het is, die u kracht geeft om vermogen te verkrijgen; opdat Hij Zijn verbond bevestige, dat Hij aan uw vaders gezworen heeft, zoals het op deze dag is.

19Maar als het gebeurt, dat u JAHWEH, uw God, geheel vergeet, en andere goden navolgt, en hen dient, en u daarvoor buigt, zo betuig ik vandaag tegen u, dat u voorzeker zult vergaan.

20Zoals de heidenen, die JAHWEH voor uw aangezicht weggevaagd heeft, zo zult u vergaan, omdat u de stem van JAHWEH, van uw God, niet gehoorzaam zult geweest zijn.