BijbelDeuteronomium

Deuteronomium 9

Lees Deuteronomium 9 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Trouwe waarschuwingen aan Israel, dat zij, wanneer zij hun vijanden overwonnen hebben en in het beloofde land gebracht zijn, geenszins moesten denken dat God dit om hun gerechtigheid gedaan had, maar om de boosheid van de inwoners te straffen en zijn genadige verbondsbeloften aan Israel te vervullen, vers 1, enz. wat Mozes bewijst met een lang verhaal van Israels weerspannigheid en gruwelijke zonden, begaan bij Horeb, 7. te Tabhera, Massa en Kibroth-Taava, 22. en ook te Kades-Barnea, 23. waarbij Mozes verhaalt hoe zeer hij om hun zonden ontsteld was en welke voorbeden hij heeft moeten doen om Gods toorn te stillen, 15.

1Hoor, Israël! u zult vandaag over de Jordaan gaan, dat u inkomt, om volken te erven, die groter en sterker zijn dan u; steden, die groot en tot in de hemel gesterkt zijn;

2Een groot en lang volk, kinderen van de Enakieten; die u kent, en waarvan u gehoord hebt: Wie zou bestaan voor het aangezicht van de kinderen van Enak?

3Zo zult u vandaag weten, dat JAHWEH, uw God, Degene is, die voor uw aangezicht doorgaat, een verterend vuur: Die zal hen vernietigen, en Die zal hen voor uw aangezicht neerwerpen; en u zult ze uit de bezitting verdrijven, en zult hen haastig te niet doen, zoals JAHWEH tot u gesproken heeft.

4Wanneer hen nu JAHWEH, uw God, voor uw aangezicht zal hebben uitgestoten, zo spreek niet in uw hart, zeggende: JAHWEH heeft mij om mijn gerechtigheid ingebracht, om dit land te erven; want, om de goddeloosheid van deze volken, verdrijft hen JAHWEH voor uw aangezicht uit de bezitting.

5Niet om uw gerechtigheid, noch om de oprechtheid van uw hart, komt u er heen in, om hun land te erven; maar om de goddeloosheid van deze volken, verdrijft hen JAHWEH, uw God, voor uw aangezicht uit de bezitting: en om het woord te bevestigen, dat JAHWEH, uw God, aan uw vaders, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft.

6Weet dan, dat u JAHWEH, uw God, niet om uw gerechtigheid, dit goede land geeft, om dat te erven; want u bent een hardnekkig volk.

7Gedenk, vergeet niet, dat u JAHWEH, uw God, in de woestijn, zeer vertoornd hebt; van die dag af, dat u uit Egypteland uitgegaan bent, totdat u kwam aan deze plaats, bent u opstandig geweest tegen JAHWEH.

8Want aan Horeb vertoornde u JAHWEH zeer, dat Hij Zich tegen u vertoornde, om u te vernietigen.

9Als ik op de berg geklommen was, om te ontvangen de stenen tafelen, de tafelen van het verbond, dat JAHWEH met u gemaakt had, toen bleef ik veertig dagen en veertig nachten op de berg, at geen brood, en dronk geen water.

10En JAHWEH gaf mij de twee stenen tafelen, met Gods vinger beschreven; en daarop, naar al de woorden, die JAHWEH op de berg, uit het midden van het vuur, op de dag van de verzameling, met u gesproken had.

11Zo gebeurde het, na verloop van veertig dagen en veertig nachten, als mij JAHWEH de twee stenen tafelen, de tafelen van het verbond, gaf,

12Dat JAHWEH tot mij zei: Sta op, ga haastig af van hier; want uw volk, dat u uit Egypte hebt uitgevoerd, heeft het verdorven; zij zijn haastig afgeweken van de weg, die Ik hun geboden had; zij hebben zich een gegoten beeld gemaakt.

13Verder sprak JAHWEH tot mij, zeggende: Ik heb dit volk aangemerkt, en zie, het is een hardnekkig volk.

14Laat van Mij af, dat Ik hen vernietige, en hun naam van onder de hemel uitdoe; en Ik zal u tot een machtiger en meerder volk maken, dan dit is.

15Toen keerde ik mij, en ging van de berg af; de berg nu brandde van vuur, en de twee tafelen van het verbond waren op beide mijn handen.

16En ik zag toe, en zie, u had tegen JAHWEH, uw God, gezondigd; u had u een gegoten kalf gemaakt; u was haastig afgeweken van de weg, die u JAHWEH geboden had.

17Toen vatte ik de twee tafelen, en wierp ze heen uit beide mijn handen, en brak ze voor uw ogen.

18En ik wierp mij neer voor het aangezicht van JAHWEH, als in het eerst, veertig dagen en veertig nachten; ik at geen brood, en dronk geen water; om al uw zonde, die u had gezondigd, doende dat kwaad is in de ogen van JAHWEH, om Hem tot toorn te verwekken.

19Want ik vreesde vanwege de toorn en de woede waarmee JAHWEH zeer op u vertoornd was, om u te vernietigen; maar JAHWEH verhoorde mij ook op dat moment.

20Ook vertoornde Zich JAHWEH zeer tegen Aäron, om hem te vernietigen; maar ik bad ook in die tijd voor Aäron.

21Maar uw zonde, het kalf, dat u had gemaakt, nam ik, en verbrandde het met vuur, en stampte het, malende het wel, totdat het verdund werd tot stof; en zijn stof wierp ik in de beek, die van de berg afvliet.

22Ook vertoornde u JAHWEH zeer te Thab-era en te Massa, en te Kibroth-thaava.

23Verder als JAHWEH u zond uit Kades-barnea, zeggende: Ga op en erft dat land, dat Ik u gegeven heb; zo was u de mond van JAHWEH, van uw God, opstandig, en geloofde Hem niet, en was Zijn stem niet gehoorzaam.

24Opstandig bent u geweest tegen JAHWEH, van de dag af, dat ik u gekend heb.

25En ik wierp mij neer voor het aangezicht van JAHWEH, die veertig dagen en veertig nachten, waarin ik mij neerwierp, omdat JAHWEH gezegd had, dat Hij u vernietigen zou.

26En ik bad tot JAHWEH, en zei: Heere, JAHWEH, verderf Uw volk en Uw erfdeel niet, dat U door Uw grootheid verlost hebt; dat U uit Egypte door een sterke hand hebt uitgevoerd.

27Gedenk aan Uw knechten, Abraham, Izak en Jakob; zie niet op de hardheid van dit volk, noch op zijn goddeloosheid, noch op zijn zonde;

28Opdat het land, vanwaar U ons hebt uitgevoerd, niet zegge: Omdat ze JAHWEH niet kon brengen in het land, waarvan Hij hun gesproken had, en omdat Hij hen haatte, heeft Hij ze uitgevoerd, om hen te doden in de woestijn.

29Zij zijn toch Uw volk, en Uw erfdeel, dat U door Uw grote kracht, en door Uw uitgestrekte arm hebt uitgevoerd!