Efeziërs 4
Lees Efeziërs 4 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Nadat de apostel in de voorgaande drie hoofdstukken de leer van het Evangelie kort had voorgesteld, komt hij nu, zoals zijn gewoonte is in al zijn brieven, met de vermaningen tot godzaligheid. Eerst vermaant hij in het algemeen tot een levenswandel die past bij hun roeping. 2 Daarna in het bijzonder tot verdraagzaamheid in de liefde, 3 en ten derde tot vrede en eenheid, welke vermaning hij met veel argumenten versterkt. 7 Verder getuigt hij dat Christus, na opgevaren te zijn naar de hemel, de mensen wel verschillende gaven heeft gegeven 11 en verschillende ambten van apostelen, profeten, leraren enzovoort heeft ingesteld, 12 maar dat alles ertoe dient dat de gemeente opgebouwd wordt en in eenheid van het geloof tegen alle dwalingen behouden mag blijven. 16 Toch komt deze heilzame kracht alleen uit Christus, als uit het hoofd, in alle leden tot bloei. 17 Daarna komt hij weer terug op de algemene vermaningen en waarschuwt hen dat zij niet zo wandelen als zij gewoon waren toen zij nog heidenen waren, 22 maar dat zij de oude mens afleggen 23 en de nieuwe mens aandoen; 25 dat zij ook de leugen afleggen, 26 de zon niet laten ondergaan over hun toorn, 28 niet stelen, 29 vuile taal vermijden waardoor de Heilige Geest bedroefd wordt, 31 en alle boosheid; 32 maar dat zij elkaar vergeven, zoals God in Christus ons vergeven heeft.
1Zo bid ik u dan, ik, de gevangene in de Heere, dat u wandelt waardig in de roeping waarmee u geroepen bent;
2Met alle nederigheid en zachtmoedigheid, met geduld, verdragende elkaar in liefde;
3U beijverende te behouden de eenheid van de Geest door de band van de vrede.
4Eén lichaam is het, en één Geest, zoals u ook geroepen bent tot één hoop van uw roeping;
5Één Heere, één geloof, één doop,
6Eén God en Vader van allen, Die daar is boven allen, en door allen, en in u allen.
7Maar aan elk van ons is de genade gegeven, naar de maat van de gave van Christus.
8Daarom zegt Hij: Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen, en heeft de mensen gaven gegeven.
9Nu dit: Hij is opgevaren; wat is het, dan dat Hij ook eerst is nedergedaald in de nederste delen van de aarde?
10Die nedergedaald is, is Dezelfde ook, Die opgevaren is ver boven al de hemelen, opdat Hij alle dingen vervullen zou.
11En Dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraars;
12Tot de volmaking van de heiligen, tot het werk van de bediening, tot opbouwing van het lichaam van Christus;
13Totdat wij allen zullen komen tot de eenheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God, tot een volkomen man, tot de mate van de grootte van de volheid van Christus;
14Opdat wij niet meer kinderen zouden zijn, die als de vloed bewogen en omgevoerd worden met allen wind van de leer, door de bedriegerij van de mensen, door sluwheid, om listig tot dwaling te brengen;
15Maar de waarheid betrachtende in liefde, alleszins zouden opgroeien in Hem, Die het Hoofd is, namelijk Christus;
16Uit Wie het hele lichaam vakkundig samengevoegd en samen vastgemaakt zijnde, door alle voegselen van de ondersteuning, naar de werking van ieder deel in zijn maat, de wasdom van het lichaam bekomt, tot zijn eigen opbouwing in de liefde.
17Ik zeg dan dit, en betuig het in de Heere, dat u niet meer wandelt, zoals de andere heidenen wandelen in de zinloosheid van hun gemoed.
18Verduisterd in het verstand, vervreemd zijnde van het leven van God, door de onwetendheid, die in hen is, door de verharding van hun harten;
19Die, ongevoelig geworden zijnde, zichzelf hebben overgegeven tot ontucht, om alle onreinheid begerig te bedrijven.
20Maar u hebt Christus zo niet geleerd;
21Als u naar Hem gehoord hebt, en door Hem geleerd bent, zoals de waarheid in Jezus is;
22Te weten dat u zou afleggen, aangaande de vorige wandeling, de oude mens, die verdorven wordt door de begeerlijkheden van de verleiding;
23En dat u zou vernieuwd worden in de geest van uw gemoed,
24En de nieuwe mens aandoen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid.
25Daarom legt af de leugen, en spreekt de waarheid, ieder met zijn naaste; want wij zijn elkaars leden.
26Wordt boos, en zondigt niet; de zon ga niet onder over uw boosheid;
27En geeft de duivel geen plaats.
28Die gestolen heeft, stele niet meer, maar arbeide liever, werkend dat goed is met de handen, opdat hij hebbe mee te delen degene, die nood heeft.
29Geen vuile rede ga uit uw mond, maar zo er enige goede rede is tot nuttige opbouw, opdat zij genade geve die, die dezelfde horen.
30En bedroeft de Heilige Geest van God niet, door Welke u verzegeld bent tot de dag van de verlossing.
31Alle bitterheid, en boosheid, en toorn, en geroep, en lastering zij van u geweerd, met alle boosheid;
32Maar wees tegenover elkaar goedertieren, barmhartig, vergevende elkaar, zoals ook God in Christus u vergeven heeft.