Esther 1
Lees Esther 1 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Koning Ahasveros geeft al zijn landvorsten een schitterend feestmaal, vers 1 enz. Ook het hele volk te Susan, 4. Koningin Vasthi houdt ook een maaltijd voor de vrouwen, 9. De koning beveelt koningin Vasthi voor hem, de vorsten, en al het volk te verschijnen, 10. wat zij weigert te doen, 12. Daarom verstoot hij haar, 13. opdat andere vrouwen zich daaraan zouden spiegelen, 17. Daaruit wordt een wet gemaakt, dat iedere man heer zou zijn in zijn huis, 22.
1Het gebeurde nu in de dagen van Ahasveros, (hij is die Ahasveros, die regeerde van Indië af tot aan Morenland toe, honderd zeven en twintig gewesten).
2In die dagen, als de koning Ahasveros op de troon van zijn koninkrijk zat, die op de burg Susan was;
3In het derde jaar van zijn regering maakte hij een maaltijd voor al zijn vorsten en zijn knechten; de macht van Perzië en Medië, de grootste heren en de oversten van de gewesten waren voor zijn aangezicht;
4Als hij vertoonde de rijkdom van de heerlijkheid van zijn rijk, en de kostbaarheid van het sieraad van zijn grootheid, vele dagen lang, honderd en tachtig dagen.
5Toen nu die dagen vervuld waren, maakte de koning een maaltijd voor al het volk, dat gevonden werd op de burg Susan, van de grootste tot de kleinste, zeven dagen lang, in het voorhof van het hof van het koninklijk paleis.
6Er waren witte, groene en hemelsblauwe bekleding, gevat aan fijn linnen en purperen banden, in zilveren ringen, en aan marmeren pilaren; de bedsteden waren van goud en zilver, op een vloer van porfiersteen, en van marmer, en albast, en kostelijke stenen.
7En men gaf te drinken in bekers van goud, en de ene beker was anders dan de andere beker; en er was veel koninklijke wijn, naar het vermogen van de koning.
8En het drinken gebeurde naar de wet, dat niemand dwong; want zo had de koning nadrukkelijk bevolen aan alle groten van zijn huis, dat zij doen zouden naar de wil van ieder.
9De koningin Vasthi maakte ook een maaltijd voor de vrouwen in het koninklijk huis, dat de koning Ahasveros had.
10Op de zevende dag, toen het hart van de koning vrolijk was van de wijn, zei hij tot Mehuman, Biztha, Charbona, Bigtha en Abagtha, Zethar en Charchas, de zeven kamerlingen, dienende voor het aangezicht van de koning Ahasveros,
11Dat zij Vasthi, de koningin, zouden brengen voor het aangezicht van de koning, met de koninklijke kroon, om de volken en de vorsten haar schoonheid te tonen; want zij was knap qua uiterlijk.
12Maar de koningin Vasthi weigerde te komen op het woord van de koning, dat door de dienst van de kamerlingen haar aangezegd was. Toen werd de koning zeer toornig, en zijn woede ontstak in hem.
13Toen zei de koning tot de wijzen, die de tijden verstonden (want zo moest de zaak van de koning gebeuren, in de aanwezigheid van al degenen, die de wet en het recht wisten;
14De naasten nu bij hem waren Carsena, Sethar, Admatha, Tharsis, Meres, Marsena, Memuchan, zeven vorsten van de Perzen en van de Meden, die het aangezicht van de koning zagen, die vooraan zaten in het koninkrijk),
15Wat men naar de wet met de koningin Vasthi doen zou, omdat zij niet gedaan had het woord van de koning Ahasveros, door de dienst van de kamerlingen?
16Toen zei Memuchan voor het aangezicht van de koning en van de vorsten: De koningin Vasthi heeft niet alleen tegen de koning misdaan, maar ook tegen al de vorsten, en tegen al de volken, die in al de gewesten van de koning Ahasveros zijn.
17Want deze daad van de koningin zal uitkomen tot alle vrouwen, zodat zij haar mannen verachten zullen in haar ogen, als men zeggen zal: De koning Ahasveros zei, dat men de koningin Vasthi voor zijn aangezicht brengen zou; maar zij kwam niet.
18Op deze zelfde dag zullen de vorstinnen van Perzië en Medië ook zo zeggen tot al de vorsten van de koning, als zij deze daad van de koningin zullen horen, en er zal verachting en toorn genoeg wezen.
19Als het de koning goeddunkt, dat een koninklijk gebod van hem uitga, dat geschreven worde in de wetten van de Perzen en Meden, en dat men het niet overtrede: dat Vasthi niet inga voor het aangezicht van de koning Ahasveros, en de koning geve haar koninkrijk aan haar naaste, die beter is dan zij.
20Als het bevel van de koning, dat hij doen zal in zijn hele koninkrijk, (want het is groot) gehoord zal worden, zo zullen alle vrouwen aan haar mannen eer geven, van de grootste tot de kleinste toe.
21Dit woord nu was goed in de ogen van de koning en van de vorsten; en de koning deed naar het woord van Memuchan.
22En hij zond brieven aan al de gewesten van de koning, aan ieder gewest naar zijn schrift, en aan elk volk naar zijn taal, dat elk man heerser in zijn huis wezen zou, en spreken naar de taal van zijn volk.