BijbelEsther

Esther 3

Lees Esther 3 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Haman wordt zeer hoog verheven door de koning, vers 1. Alle hovelingen buigen zich voor hem neer, behalve Mordechai, 2. Hierover is Haman zeer vertoornd, 5. Hij zoekt niet alleen Mordechai, maar alle Joden uit te roeien, 6. En hij laat het lot hierover werpen, 7. Hij klaagt de Joden aan bij de koning, 8. En verzoekt dat alle Joden verdelgd mogen worden, 9. wat de koning hem toestaat, 10. Dit wordt geschreven aan alle vorsten in alle gewesten, 12. En er worden boden afgezonden met dit bevel, 13. De koning en Haman zitten en drinken, maar de stad Susan is verbaasd, 15.

1Na deze geschiedenissen maakte de koning Ahasveros Haman groot, de zoon van Hammedatha, de Agagiet, en hij verhoogde hem, en hij zette zijn stoel boven al de vorsten, die bij hem waren.

2En al de knechten van de koning, die in de poort van de koning waren, neigden en bogen zich neer voor Haman; want de koning had zo van hem bevolen; maar Mordechai neigde zich niet, en boog zich niet neer.

3Toen zeiden de knechten van de koning, die in de poort van de koning waren, tot Mordechai: Waarom overtreedt u het gebod van de koning?

4Het gebeurde nu, toen zij dit van dag tot dag tot hem zeiden, en hij naar hen niet hoorde, zo gaven zij het Haman te kennen, opdat zij zagen, of de woorden van Mordechai bestaan zouden; want hij had hun te kennen gegeven, dat hij een Jood was.

5Toen Haman zag, dat Mordechai niet knielde, noch zich voor hem nederboog, zo werd Haman vervuld met woede.

6Maar hij verachtte in zijn ogen, dat hij aan Mordechai alleen de hand zou slaan (want men had hem het volk van Mordechai aangewezen); maar Haman zocht al de Joden, die in het hele koninkrijk van Ahasveros waren, namelijk het volk van Mordechai, te vernietigen.

7In de eerste maand (deze is de maand Nisan) in het twaalfde jaar van de koning Ahasveros, wierp men het Pur, dat is, het lot, voor Hamans aangezicht, van dag tot dag, en van maand tot maand, tot de twaalfde maand toe; deze is de maand Adar.

8Want Haman had tot de koning Ahasveros gezegd: Er is een volk, verstrooid en verdeeld onder de volken in al de gewesten van uw koninkrijk; en hun wetten zijn verscheiden van de wetten van alle volken; ook doen zij de wetten van de koning niet; daarom is het de koning niet raadzaam hen te laten blijven.

9Als het de koning goeddunkt, laat er geschreven worden, dat men hen verdoe; zo zal ik tien duizend talenten zilver opwegen in de handen van degenen, die het werk doen, om in de schatten van de koning te brengen.

10Toen trok de koning zijn ring van zijn hand, en hij gaf hem aan Haman, de zoon van Hammedatha, de Agagiet, de tegenstander van de Joden.

11En de koning zei tot Haman: Dat zilver zij u geschonken, ook dat volk, om daarmee te doen, naar dat het goed is in uw ogen.

12Toen werden de schrijvers van de koning geroepen, in de eerste maand, op de dertiende dag daarvan, en er werd geschreven naar alles, wat Haman beval, aan de stadhouders van de koning, en aan de landvoogden, die over elk gewest waren, en aan de vorsten van elk volk, elk gewest naar zijn schrift, en elk volk naar zijn taal; er werd geschreven in de naam van de koning Ahasveros, en het werd met de ring van de koning verzegeld.

13De brieven nu werden gezonden door de hand van de lopers tot al de gewesten van de koning, dat men zou vernietigen, doden en verdoen al de Joden, van de jonge tot de oude toe, de kleine kinderen en de vrouwen, op één dag, op de dertiende van de twaalfde maand (deze is de maand Adar), en dat men hun buit zou roven.

14De inhoud van het schrift was, dat er een wet zou gegeven worden in alle gewesten, openbaar aan alle volken, dat zij tegen deze dag zouden gereed zijn.

15De lopers gingen uit, voortgedrongen zijnde door het woord van de koning, en de wet werd uitgegeven in de burg Susan. En de koning en Haman zaten en dronken, maar de stad Susan was verward.