Esther 4
Lees Esther 4 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Mordechai treurt en huilt, met een rouwgewaad bekleed, vers 1. En zo komt hij voor de poort van de koning, 2. De Joden treuren en huilen overal waar dat wrede plakkaat werd aangeplakt, 3. Esther zendt Mordechai kleren, maar hij wil ze niet aannemen, 4. Zij laat door Hatach navragen waarom hij zo bedroefd is, 5. wat hij Hatach te kennen geeft, 7. met de kopie van het uitschrift, om die aan Esther te tonen, en haar te vermanen naar de koning te gaan en voor de Joden te pleiten, 8. waarin Esther wel grote bezwaren ziet, 11. maar Mordechai brengt zulke redenen bij, 13. dat zij hem belooft naar de koning te zullen gaan, nadat de Joden te Susan drie dagen zouden gevast en gebeden hebben, zoals zij en haar hofdames dat ook zouden doen, 16.
1Als Mordechai wist al wat er gebeurd was, zo verscheurde Mordechai zijn kleren, en hij trok een zak aan met as; en hij ging uit door het midden van de stad, en hij riep met een groot en bitter geroep.
2En hij kwam tot voor de poort van de koning; want niemand mocht in de poort van de koning inkomen, bekleed met een zak.
3En in alle en een ieder gewest en plaats, waar het woord van de koning en zijn wet aankwam, was een grote rouw onder de Joden, met vasten, en geween, en luid weeklagen; vele lagen in zakken en as.
4Toen kwamen Esthers meisjes en haar kamerlingen, en zij gaven het haar te kennen; en het deed de koningin zeer wee; en zij zond kleren om Mordechai aan te doen, en zijn zak van hem af te doen; maar hij nam ze niet aan.
5Toen riep Esther Hatach, één van de kamerlingen van de koning, die hij voor haar gesteld had, en zij gaf hem bevel aan Mordechai, om te weten wat dit, en waarom dit was.
6Als Hatach uitging tot Mordechai, op de straat van de stad, die voor de poort van de koning was,
7Zo gaf Mordechai hem te kennen al wat hem overkomen was, en de verklaring van het zilver, dat Haman gezegd had te zullen wegen in de schatten van de koning, voor de Joden, om hen om te brengen.
8En hij gaf hem het afschrift van de geschreven wet, die te Susan gegeven was, om hen te vernietigen, dat hij het Esther liet zien, en haar te kennen gaf, en haar gebood, dat zij tot de koning ging, om hem te smeken, en van hem te verzoeken voor haar volk.
9Hatach nu kwam en gaf Esther de woorden van Mordechai te kennen.
10Toen zei Esther tot Hatach, en gaf hem bevel aan Mordechai:
11Alle knechten van de koning, en het volk, van de gewesten van de koning, weten wel dat al wie tot de koning ingaat in het binnenste voorhof, die niet geroepen is, hij zij man of vrouw, zijn enig vonnis zij, dat men hem dode, tenzij dat de koning de gouden scepter hem toereike, opdat hij levend blijve; ik nu ben deze dertig dagen niet geroepen om tot de koning in te komen.
12En zij gaven de woorden van Esther aan Mordechai te kennen.
13Zo zei Mordechai, dat men Esther opnieuw zeggen zou: Beeld u niet in, in uw ziel, dat u zult ontkomen in het huis van de koning, meer dan al de andere Joden.
14Want als u enigszins zwijgen zult in deze tijd, zo zal aan de Joden verkwikking en verlossing uit een andere plaats ontstaan; maar u en het huis van uw vader zult omkomen; en wie weet, of u niet om zulk een tijd als deze is, tot dit koninkrijk geraakt bent.
15Toen zei Esther, dat men Mordechai weer aanzeggen zou:
16Ga, vergader al de Joden, die te Susan gevonden worden, en vast voor mij, en eet of drinkt niet, in drie dagen, nacht noch dag; ik en mijn meisjes zullen ook zo vasten, en zo zal ik tot de koning ingaan, dat niet naar de wet is. Wanneer ik dan omkome, zo kom ik om.
17Toen ging Mordechai heen en hij deed naar alles wat Esther hem geboden had.