Esther 5
Lees Esther 5 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Koningin Esther trekt een koninklijk gewaad aan en gaat naar de koning, vers 1. Die haar de gouden scepter toereikt, 2. En hij belooft haar te geven wat zij vraagt, 3. Zij nodigt de koning en Haman uit voor een maaltijd, 4. De koning komt met Haman bij Esther op die maaltijd, 5. en belooft opnieuw haar te geven wat zij vraagt, 6. Zij nodigt de koning en Haman voor de tweede keer uit, 7. Haman verblijdt zich hierover zeer, maar wordt uiterst vertoornd als hij ziet dat Mordechai hem niet eert, 9. Dit alles vertelt hij zijn vrouw en vrienden, 10. Die hem raden een galg van vijftig el hoog te laten maken, om Mordechai daaraan te hangen; welke raad hij volgt, 14.
1Het gebeurde nu aan de derde dag, dat Esther een koninklijk kleed aantrok, en stond in het binnenste voorhof van het huis van de koning, tegenover het huis van de koning; de koning nu zat op zijn koninklijke troon, in het koninklijke huis, tegenover de deur van het huis.
2En het gebeurde, toen de koning de koningin Esther zag, staande in het voorhof, verkreeg zij genade in zijn ogen, zodat de koning de gouden scepter, die in zijn hand was, Esther toereikte; en Esther naderde, en roerde de spits van de scepter aan.
3Toen zei de koning tot haar: Wat is u, koningin Esther! of wat is uw verzoek? Het zal u gegeven worden, ook tot de helft van het koninkrijk.
4Esther nu zei: Als het de koning goeddunkt, zo kome de koning met Haman vandaag tot de maaltijd, die ik hem bereid heb.
5Toen zei de koning: Doe Haman spoeden, dat hij het bevel van Esther doe. Als nu de koning met Haman tot de maaltijd, die Esther bereid had, gekomen was,
6Zo zei de koning tot Esther op de maaltijd van de wijn: Wat is uw bede? en zij zal u gegeven worden; en wat is uw verzoek? Het zal gebeuren, ook tot de helft van het koninkrijk.
7Toen antwoordde Esther, en zei: Mijn bede en verzoek is:
8Als ik genade gevonden heb in de ogen van de koning, en als het de koning goeddunkt, mij te geven mijn bede, en mijn verzoek te doen, zo kome de koning met Haman tot de maaltijd, die ik hem bereiden zal; zo zal ik morgen doen naar het bevel van de koning.
9Toen ging Haman op diezelfde dag uit, vrolijk en goedsmoeds; maar toen Haman Mordechai zag in de poort van de koning, en dat hij niet opstond, noch zich voor hem bewoog, zo werd Haman vervuld met woede op Mordechai.
10Maar Haman bedwong zich, en hij kwam tot zijn huis; en hij zond heen, en liet zijn vrienden komen, en Zeres, zijn huisvrouw.
11En Haman vertelde hun de heerlijkheid van zijn rijkdom, en de veelheid van zijn zonen, en alles, waarin de koning hem groot gemaakt had, en waarin hij hem verheven had boven de vorsten en knechten van de koning.
12Verder zei Haman: Ook heeft de koningin Esther niemand met de koning doen komen tot de maaltijd, die zij bereid heeft, dan mij; en ik ben ook tegen morgen van haar met de koning genodigd.
13Maar dit alles baat mij niet, zolang ik de Jood Mordechai zie zitten in de poort van de koning.
14Toen zei zijn huisvrouw Zeres tot hem, en ook al zijn vrienden: Men make een galg, vijftig ellen hoog, en zeg morgen aan de koning, dat men Mordechai daaraan hange; ga dan vrolijk met de koning tot die maaltijd. Deze raad nu dacht Haman goed, en hij deed de galg maken.