Esther 6
Lees Esther 6 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
De koning kan niet slapen en laat het boek der Kronieken brengen, vers 1. Daarin vindt men het boze voornemen van Bigthana en Theres, door Mordechai ontdekt, 2. De koning vraagt welke eer Mordechai hiervoor is aangedaan; zijn dienaren zeggen: geen, 3. Haman is in de voorhof, 4. en wordt binnengeroepen, 5. En de koning vraagt hem wat men behoort te doen voor de man die de koning wil eren, 6. Hamans antwoord hierop, 7. De koning beveelt Haman dat hij Mordechai alle eer zou aandoen die hij had gezegd, 10. wat hij doet, 11. Daarna gaat hij treurend naar huis, 12. en vertelt heel zijn wedervaren aan zijn vrouw en vrienden, die hem zijn verdere val voorzeggen, 13. Hij wordt naar de maaltijd van Esther gebracht, 14.
1In deze nacht was de slaap van de koning geweken, en hij zei, dat men het boek van de gedachtenissen, de kronieken, brengen zou; en zij werden in de aanwezigheid van de koning gelezen.
2En men vond geschreven, dat Mordechai had te kennen gegeven van Bigthana en Theres, twee kamerlingen van de koning, uit de dorpelwachters, die de hand zochten te leggen aan de koning Ahasveros.
3Toen zei de koning: Wat eer en verhoging is Mordechai hierover gedaan? En de jongemannen van de koning, zijn dienaren, zeiden: Aan hem is niets gedaan.
4Toen zei de koning: Wie is in het voorhof? (Haman nu was gekomen in het buitenvoorhof van het huis van de koning, om de koning te zeggen, dat men Mordechai zou hangen aan de galg, die hij hem had doen bereiden.)
5En de jongemannen van de koning zeiden tot hem: Zie, Haman staat in het voorhof. Toen zei de koning: Dat hij inkome.
6Als Haman ingekomen was, zo zei de koning tot hem: Wat zal men met die man doen, tot wie de koning een welbehagen heeft? Toen zei Haman in zijn hart: Tot wie heeft de koning een welbehagen, om hem eer te doen, meer dan tot mij?
7Daarom zei Haman tot de koning: De man, tot wie de koning een welbehagen heeft,
8Zal men het koninklijke kleed brengen, dat de koning pleegt aan te trekken, en het paard, waarop de koning pleegt te rijden; en dat de koninklijke kroon op zijn hoofd gezet worde.
9En men zal dat kleed en dat paard geven in de hand van één uit de vorsten van de koning, van de grootste heren, en men zal het die man aantrekken, tot wie de koning een welbehagen heeft; en men zal hem op dat paard doen rijden door de straten van de stad, en men zal voor hem roepen: Zo zal men die man doen, tot wie de koning een welbehagen heeft!
10Toen zei de koning tot Haman: Haast u, neem dat kleed, en dat paard, zoals u gesproken hebt, en doe zo aan Mordechai, de Jood, die aan de poort van de koning zit; en laat niet één woord vallen van alles, wat u gesproken hebt.
11En Haman nam dat kleed en dat paard, en trok het kleed Mordechai aan, en deed hem rijden door de straten van de stad, en hij riep voor hem: Zo zal men die man doen, tot wie de koning een welbehagen heeft!
12Daarna keerde Mordechai opnieuw tot de poort van de koning; maar Haman werd voortgedreven naar zijn huis, treurig en met bedekt hoofd.
13En Haman vertelde aan zijn huisvrouw Zeres en al zijn vrienden al wat hem overkomen was. Toen zeiden hem zijn wijzen, en Zeres, zijn huisvrouw: Als Mordechai, voor wie u hebt begonnen te vallen, van het zaad van de Joden is, zo zult u tegen hem niets uitrichten; maar u zult zeker voor zijn aangezicht vallen.
14Toen zij nog met hem spraken, zo kwamen de kamerlingen van de koning nabij, en zij haastten Haman tot de maaltijd te brengen, die Esther bereid had.