BijbelEsther (apocrief)

Esther (apocrief) 14

Lees Esther (apocrief) 14 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Koningin Esther legt haar sieraad af en bidt eveneens de Heere met droefheid, zowel voor zichzelf als voor het volk.

1EN de koningin Esther nam ook haar toevlucht tot Heere, met doodstrijd bevangen zijnde.

2En legde haar heerlijke kleren af, en trok kleren van de benauwdheid en van het treuren aan, en in plaats van prachtige en welriekende zalven, vervulde zij haar hoofd met as en vuiligheid, en vernederde haar lichaam zeer; en alle plaatsen waar zij tevoren versierd en vrolijk was geweest, vervulde zij met haar uitgeplukt haar.

3En zij bad Heere, de God van Israël, en zei:

4Heere, U bent alleen onze Koning, help mij, die nu alleen ben en geen helper heb dan U, en mijn gevaar is voor de hand.

5Ik heb van mijn jeugd af gehoord in mijn vaderlijke stam, dat U Israël uit al de volken, en onze vaders uit al hun voorzaten hebt aangenomen tot een eeuwig erfdeel, en hebt hun gehouden al wat U hun gesproken had.

6Nu hebben wij gezondigd voor U, en U hebt ons overgegeven in de handen van onze vijanden, omdat wij hun goden hadden geëerd.

7U bent rechtvaardig, Heere, en nu zijn zij niet tevreden, dat zij ons in bittere dienstbaarheid houden.

8Maar zij hebben zich bij handslag verplicht in de handen van hun afgoden,

9Om het besluit van Uw mond weg te nemen, en Uw erfenis uit te roeien, en de mond toe te stoppen van degenen die U loven, en de heerlijkheid van Uw huis en van Uw altaar uit te blussen;

10En om de mond van de heidenen te openen, tot verheffing van de deugden van de ijdele afgoden, en een vleselijke koning te roemen in eeuwigheid.

11Geef, Heere, Uw scepter niet over aan degenen die niet zijn, en laat hen niet lachen over onze val, maar wend hun raad tegen hen, en stel die ten toon, die dat tegen ons heeft bedacht.

12Gedenk aan ons Heere, en maak U bekend in de tijd van onze verdrukking, en sterk mij, o Koning van alle volken, en heerser over alle vorsten.

13Geef mij passende woorden in mijn mond om te spreken voor de leeuw, en wend zijn hart tot haat tegen hem, die ons bekrijgt; opdat hij teniet wordt, en degenen die met hem eensgezind zijn.

14Verlos ons door Uw hand, en help mij die eenzaam ben, en niemand heb dan U, Heere.

15U hebt kennis van alle dingen, en weet dat ik de eer van de goddelozen haat, en een afschuw heb van het bed van de onbesnedenen, en van alle vreemden.

16U weet, dat ik het doen moet, en dat ik een afschuw heb van het teken van mijn hoogmoed, dat op mijn hoofd is, in de dagen dat ik mij moet laten zien; en heb een afschuw daarvan, als van een onreine doek, en draag het niet wanneer ik in stilte ben.

17Uw dienstmaagd heeft ook niet gegeten aan de tafel van Haman, noch de maaltijd van de koning verheerlijkt, noch gedronken van de offerwijn.

18En Uw dienstmaagd heeft geen vreugde gehad van de dag af dat ik hier ben gebracht tot nu toe, dan in U, o Heere, God van Abraham.

19Verhoor de stem van de verlatenen, U sterke God boven allen, en verlos ons van de hand van degenen die kwaad aanrichten, en verlos mij uit mijn vrees.