Esther (apocrief) 16
Lees Esther (apocrief) 16 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 De brief van koning Artaxerxes, waarin hij Haman beschuldigt dat hij hem bedrogen heeft, 17 en herroept het besluit dat op aanraden van Haman genomen was, om de Joden om te brengen. 22 Beveelt de Joden dat zij, tot gedachtenis van deze hun verlossing, jaarlijks een bijzonder feest zullen houden.
1DE grote koning Artaxerxes aan de honderdzevenentwintig Vorsten, gesteld over de gewesten, die van Indië tot aan Morenland zijn, en ook degenen, die onze zaken daar verzorgen, zij onze groet!
2Velen, die door de meeste goedertierenheid van hun weldoeners, dikwijls zijn geëerd geworden, hebben zich daarover hoogmoedig gemaakt;
3En zoeken niet alleen degenen, die ons onderdanig zijn, leed aan te doen, maar ook, hun weelde niet kunnende dragen, pogen zelfs hun weldoeners hinderlagen te leggen.
4En nemen niet alleen de dankbaarheid uit de mensen weg, maar ook door de pracht van de ongewone goederen zich verheffende, menen zij de wraak van God, die het kwade haat en altijd alles doorziet, te ontvluchten.
5Dikwijls gebeurt het ook, dat velen van degenen die in macht zijn gesteld, en die betrouwd is de zaken van de vrienden te verrichten, door hun raad deze willende stellen tot metgezellen van onnozel bloedvergieten, in ongeneeslijke zwarigheden zichzelf hebben ingewikkeld.
6Omdat zij door hun boze, leugenachtige aard de eenvoudige goedwilligheid van hun heren met valse schijnredenen bedriegen.
7Dit kan opgemerkt worden niet zozeer uit de oude historiën, zoals wij verhaald hebben, als wel uit wat ons voor de voeten is, zo u onderzoekt wat onrechtvaardig is volbracht, door het valse beleid van degenen, die de macht onbehoorlijk hebben gebruikt.
8Daarom moeten wij acht nemen op het toekomende, dat wij ons koninkrijk voor alle mensen onberoerd en in vrede mogen richten;
9Veranderingen gebruikende, en de zaken die ons onder ogen komen, alleen onderscheidende, met redelijke bejegening.
10Want als nu Haman, de zoon van Ammedatha, een Macedoniër, werkelijk vreemd van het bloed van de Perzen, en zeer verschillend van onze goedheid, en bij ons tot een gast ontvangen zijnde, de beleefdheid, die wij alle natiën bewijzen, in zulk een mate had ervaren, dat wij hem ook onze vader noemden,
11En dat hij door allen aangebeden werd, en wij hem lieten blijven de tweede persoon van ons koninkrijk.
12Zo heeft hij zulke hoogmoed niet kunnen dragen, maar heeft voorgenomen ons van ons rijk en leven te beroven,
13En Mordechai, die ons altijd een behoeder en weldoener is, en de onberispelijke metgezellin van ons koninkrijk Esther met haar hele volk, door veelvuldige en bedriegelijke listen tot verderf te brengen.
14Want op deze wijze heeft hij gemeend ons nu berooid zijnde aan te tasten, en het rijk van de Perzen aan de Macedoniërs te brengen.
15Maar wij bevinden dat de Joden, die deze booswicht overgegeven had om uitgeroeid te worden, geen kwaaddoeners zijn, maar dat zij door zeer rechtvaardige wetten gericht worden;
16En dat zij kinderen zijn van de hoogste, grootste, en levende God, die dit ons koninkrijk voor ons, en onze voorouders tot een zeer heerlijke stand heeft gebracht.
17U zult dan weldoen, dat u de brieven die door Haman, de zoon van Ammedatha, zijn gezonden, niet gebruikt.
18Omdat hij, die dat teweeg had gebracht, aan de poorten van Susan met zijn hele huis is gekruisigd, en zeer haastig een oordeel, zoals hij waard was, door God, die alle dingen regeert, heeft ontvangen.
19Het afschrift nu van deze brief zult u op alle plaatsen aanslaan, en zult de Joden toelaten hun wetten vrij te gebruiken.
20En zult hun samen behulpzaam zijn, dat zij degenen, die in de tijd van de verdrukking hen zullen overvallen, wreken mogen; namelijk op de dertiende dag van de twaalfde maand, genoemd Adar, op dezelfde dag.
21Want deze blijdschap heeft hun God, die over allen heerst, teweeggebracht, in plaats van de ondergang van het uitverkoren geslacht.
22Zo zult u dan, onder andere van uw befaamde feesten, ook deze heerlijke dag met alle vrolijkheid vieren;
23Opdat het zowel, nu als hierna, ons wel ga, en ook degenen, die de Perzen gunstig zijn, maar degenen, die ons hinderlagen leggen, zij het een gedenkteken van ondergang.
24Maar alle stad of land dat hiernaar niet zal hebben gedaan, zal door zwaard en vuur geheel vernietigd worden, zonder genade, en zal niet alleen de mensen ontoegankelijk, maar ook de wilde dieren en vogels voor altijd vijand gemaakt worden.