BijbelExodus

Exodus 1

Lees Exodus 1 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

De namen en het getal van de kinderen van Israël, die in Egypte kwamen, en hun vermenigvuldiging, vers 1 enz. hoe Farao poogt hen te onderdrukken, maar tevergeefs, 14. Farao beveelt de vroedvrouwen alle jongetjes te doden zodra zij geboren zouden zijn, 16. Maar zij behouden hen in het leven, 17. God zegent de vroedvrouwen, 21. Farao gebiedt alle jongetjes te verdrinken, 22.

1Dit nu zijn de namen van de zonen van Israël, die in Egypte gekomen zijn, met Jakob; zij kwamen er in, elk met zijn huis.

2Ruben, Simeon, Levi, en Juda;

3Issaschar, Zebulon, en Benjamin;

4Dan en Nafthali, Gad en Aser.

5Al de zielen nu, die uit Jakobs heup voortgekomen zijn, waren zeventig zielen; maar Jozef was in Egypte.

6Toen nu Jozef gestorven was, en al zijn broers, en al dat geslacht,

7Zo werden de Israëlieten vruchtbaar en groeiden overvloedig, en zij vermeerderden, en werden geheel zeer machtig, zodat het land met hen vervuld werd.

8Daarna stond een nieuwe koning op over Egypte, die Jozef niet gekend had;

9Die zei tot zijn volk: Zie, het volk van de Israëlieten is veel, ja, machtiger dan wij.

10Kom aan, laat ons verstandig tegen hen handelen, opdat het niet vermenigvuldige, en het gebeure, als er enige strijd voorvalt, dat het zich ook niet vervoege tot onze vijanden, en tegen ons strijde, en uit het land optrekke.

11En zij zetten oversten van de belastingen over hetzelfde, om het te verdrukken met hun dwangarbeid; want men bouwde voor Farao voorraadsteden, Pitom en Raamses.

12Maar hoe meer zij het verdrukten, hoe meer het vermeerderde, en hoe meer het groeide; zodat zij verdrietig waren vanwege de Israëlieten.

13En de Egyptenaars deden de Israëlieten dienen met hardheid;

14Zodat zij hun het leven bitter maakten met harde dienst, in leem en in bakstenen, en met alle dienst op het veld, met al hun dienst, die zij hen deden dienen met hardheid.

15Daarenboven sprak de koning van Egypte tot de verloskundigen van de Hebreïnnen, van wie de ene naam Sifra was, en de naam van de andere Pua was;

16En zei: Wanneer u de Hebreïnnen in het baren helpt, en ziet haar op de stoelen; is het een zoon, zo doodt hem; maar is het een dochter, zo laat haar leven!

17Maar de verloskundigen vreesden God, en deden niet, zoals de koning van Egypte tot haar gesproken had, maar zij behielden de jongetjes in het leven.

18Toen riep de koning van Egypte de verloskundigen, en zei tot haar: Waarom hebt u deze zaak gedaan, dat u de jongetjes in het leven behouden hebt?

19En de verloskundigen zeiden tot Farao: Omdat de Hebreïnnen niet zijn zoals de Egyptische vrouwen; want zij zijn sterk; voordat de verloskundige tot haar komt, zo hebben zij gebaard.

20Daarom deed God aan de verloskundigen goed; en dat volk vermeerderde, en het werd zeer machtig.

21En het gebeurde, omdat de verloskundigen God vreesden, zo bouwde Hij haar huizen.

22Toen gebood Farao aan al zijn volk, zeggende: Alle zonen, die geboren worden, zult u in de rivier werpen, maar al de dochters in het leven behouden.