BijbelExodus

Exodus 10

Lees Exodus 10 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

God maakt Mozes bekend waarom Hij het hart van Farao en zijn dienaren verhard heeft, vers 1 enz. en dreigt hen met sprinkhanen, 4. Farao's dienaren dringen er bij hem op aan dat hij de Israëlieten laat trekken, 7. Hij doet alsof hij het wilde doen, 8. Maar hij verandert van gedachten, 10. De achtste plaag, namelijk de sprinkhanen, komt over Egypte, 12. Farao erkent zijn zonde, 16. Hij vraagt dat Mozes voor hem bidt, 17. wat Mozes doet, 18. De sprinkhanen worden weggenomen, 19. maar Farao blijft verhard, 20. De negende plaag, namelijk duisternis, komt over Egypte, 21. Farao wil Israël laten trekken, maar zonder vee, 24. Mozes wil niet één klauw achterlaten, 25. Farao blijft verhard, 27. en verbiedt Mozes op straffe van de dood zijn aangezicht weer te zien, 28. Het is ook zo geschied, 29.

1Daarna zei JAHWEH tot Mozes: Ga in tot Farao; want Ik heb zijn hart verzwaard, ook het hart van zijn knechten, opdat Ik deze Mijn tekenen in het midden van hen zette;

2En opdat u voor de oren van uw kinderen en van uw kleinkinderen mag vertellen, wat Ik in Egypte uitgericht heb, en Mijn tekenen, die Ik onder hen gesteld heb; opdat u weet, dat Ik JAHWEH ben.

3Zo gingen Mozes en Aäron tot Farao, en zeiden tot hem: Zo zegt JAHWEH, de God van de Hebreën: Hoe lang weigert u zich voor Mijn aangezicht te verootmoedigen? Laat Mijn volk trekken, dat zij Mij dienen.

4Want als u weigert Mijn volk te laten trekken, zie, zo zal Ik morgen sprinkhanen in uw gebied brengen.

5En zij zullen het gezicht van het land bedekken, zo dat men de aarde niet zal kunnen zien; en zij zullen afeten het overige van wat ontkomen is, wat u overgebleven was van de hagel; zij zullen ook al het geboomte afeten, dat u uit het veld voortkomt.

6En zij zullen vervullen uw huizen, en de huizen van al uw knechten, en de huizen van alle Egyptenaren; die uw vaders, noch de vaders van uw vaders gezien hebben, van die dag af, dat zij op de aardbodem geweest zijn, tot op deze dag. En hij keerde zich om, en ging uit van Farao.

7En de knechten van Farao zeiden tot hem: Hoe lang zal ons deze tot een strik zijn, laat de mannen trekken, dat zij JAHWEH hun God dienen! weet u nog niet, dat Egypte verloren is?

8Toen werden Mozes en Aäron weer tot Farao gebracht, en hij zei tot hen: Ga heen, dient JAHWEH, uw God! wie en wie zijn zij, die gaan zullen?

9En Mozes zei: Wij zullen gaan met onze jonge en met onze oude mensen; met onze zonen en met onze dochters, met onze schapen en met onze runderen zullen wij gaan; want wij hebben een feest van JAHWEH.

10Toen zei hij tot hen: JAHWEH zij zo met u, zoals ik u en uw kleine kinderen zal trekken laten: zie toe, want er is kwaad voor uw aangezicht!

11Niet zo u, mannen, gaat nu heen, en dient JAHWEH; want dat hebt u verzocht! En men dreef hen uit van Farao's aangezicht.

12Toen zei JAHWEH tot Mozes: Strek uw hand uit over Egypteland, om de sprinkhanen, dat zij opkomen over Egypteland, en al het kruid van het land opeten, al wat de hagel heeft over gelaten.

13Toen strekte Mozes zijn staf over Egypteland, en JAHWEH bracht een oostenwind in dat land, die hele dag en die hele nacht; het gebeurde 's morgens, dat de oostenwind de sprinkhanen opbracht.

14En de sprinkhanen kwamen op over het hele Egypteland, en lieten zich neer aan al de grenzen van de Egyptenaren, zeer zwaar; voor deze zijn dergelijke sprinkhanen, als deze, nooit geweest, en na deze zullen er zulke niet wezen;

15Want zij bedekten het gezicht van het hele land, zo dat het land verduisterd werd; en zij aten al het kruid van het land op, en al de vruchten van de bomen, die de hagel had over gelaten; en er bleef niets groens aan de bomen, noch aan de kruiden van het veld, in het hele Egypteland.

16Toen haastte Farao, om Mozes en Aäron te roepen, en zei: Ik heb gezondigd tegen JAHWEH, uw God, en tegen u.

17En nu vergeeft mij toch mijn zonde alleen ditmaal, en bidt vurig tot JAHWEH, uw God, dat Hij slechts deze dood van mij wegneme.

18En hij ging uit van Farao, en bad vurig tot JAHWEH.

19Toen keerde JAHWEH een zeer sterken westenwind, die hief de sprinkhanen op, en wierp ze in de Schelfzee; er bleef niet één sprinkhaan over in al het gebied van Egypte.

20Maar JAHWEH verstokte Farao's hart, dat hij de Israëlieten niet liet trekken.

21Toen zei JAHWEH tot Mozes: Strek uw hand uit naar de hemel, en er zal duisternis komen over Egypteland, dat men de duisternis tasten zal.

22Als Mozes zijn hand uitstrekte naar de hemel, werd er een dikke duisternis in het hele Egypteland, drie dagen.

23Zij zagen de één de ander niet; er stond ook niemand op van zijn plaats, in drie dagen; maar bij al de Israëlieten was het licht in hun woningen.

24Toen riep Farao Mozes, en zei: Ga heen, dient JAHWEH! alleen uw schapen en uw runderen zullen vast blijven; ook zullen uw kinderen met u gaan.

25Maar Mozes zei: Ook zult u slachtoffers en brandoffers in onze handen geven, die wij JAHWEH, onze God, doen mogen;

26En ons vee zal ook met ons gaan, er zal niet één klauw achterblijven; want van hetzelfde zullen wij nemen, om JAHWEH, onze God, te dienen; want wij weten niet, waarmee wij JAHWEH, onze God, dienen zullen, voordat wij daar komen.

27Maar JAHWEH verhardde Farao's hart; en hij wilde hen niet laten trekken.

28Maar Farao zei tot hem: Ga van mij! pas op dat u niet meer mijn aangezicht ziet; want op welke dag u mijn aangezicht zult zien, zult u sterven!

29Mozes nu zei: U hebt recht gesproken; ik zal niet meer uw aangezicht zien!