Exodus 13
Lees Exodus 13 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
God beveelt dat men Hem alle eerstgeborenen zal heiligen, vers 1 enz. dat men zal gedenken aan de dag van de uittocht uit Egypte, 3. Dat men het feest van het ongezuurde brood in het land Kanaän zou houden, 6. En dat zij hun kinderen de oorzaak daarvan zouden vertellen, 8. Dat men de HEERE de eerstelingen van de dieren zou afzonderen, 12. Dat zij gedenktekenen zouden maken, 16. Welke weg God hen door de woestijn geleid heeft, 17. Zij nemen de beenderen van Jozef mee uit Egypte, 19. Israël legert zich te Etham, 20. God geleidt hen met een wolk- en vuurkolom, 21.
1Toen sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende:
2Heilig Mij alle eerstgeborenen; wat enige baarmoeder opent onder de Israëlieten, van mensen en van beesten, dat is van Mij.
3Verder zei Mozes tot het volk: Gedenk deze zelfde dag, op welke u uit Egypte, uit het diensthuis, gegaan bent; want JAHWEH heeft u door een sterke hand van hier uitgevoerd; daarom zal het gedesemde niet gegeten worden.
4Vandaag gaat u uit, in de maand Abib.
5En het zal gebeuren, als u JAHWEH zal gebracht hebben in het land van de Kanaänieten, en van de Hethieten, en van de Amorieten, en van de Hevieten, en van de Jebusieten, dat Hij uw vaders gezworen heeft u te geven, een land vloeiende van melk en honing; zo zult u deze dienst houden in deze maand.
6Zeven dagen zult u ongezuurde broden eten, en aan de zevende dag zal JAHWEH een feest zijn.
7Zeven dagen zullen ongezuurde broden gegeten worden, en het gedesemde zal bij u niet gezien worden, ja, er zal geen zuurdeeg bij u gezien worden, in al uw grenzen.
8En u zult uw zoon te kennen geven op die dag, zeggende: Dit is om wat JAHWEH mij gedaan heeft, toen ik uit Egypte uittrok.
9En het zal u zijn tot een teken op uw hand, en tot een herinnering tussen uw ogen, opdat de wet van JAHWEH in uw mond zij, omdat u JAHWEH door een sterke hand uit Egypte uitgevoerd heeft.
10Daarom onderhoudt deze inzetting op de vastgestelde tijd, van jaar tot jaar.
11Het zal ook gebeuren, wanneer u JAHWEH in het land van de Kanaänieten zal gebracht hebben, zoals Hij u en uw vaders gezworen heeft, en Hij het u zal gegeven hebben;
12Zo zult u tot JAHWEH doen overgaan alles, wat de baarmoeder opent; ook alles, wat de baarmoeder opent van de vrucht van de beesten, die u hebben zult; de mannetjes zullen van JAHWEH zijn.
13Maar al wat de baarmoeder van de ezelin opent, zult u lossen met een lam; wanneer u het nu niet lost, zo zult u het de nek breken; maar alle eerstgeborenen van de mensen onder uw zonen zult u lossen.
14Wanneer het gebeuren zal, dat uw zoon u morgen zal vragen, zeggende: Wat is dat, zo zult u tot hem zeggen: JAHWEH heeft ons door een sterke hand uit Egypte, uit het diensthuis, uitgevoerd.
15Want het gebeurde, toen Farao zich verhardde ons te laten trekken, zo doodde JAHWEH alle eerstgeborenen in Egypteland, van de mensen eerstgeborene af, tot de eerstgeborene van de beesten; daarom offer ik JAHWEH de mannetjes van alles, wat de baarmoeder opent; maar alle eerstgeborenen van mijn zonen los ik.
16En het zal tot een teken zijn op uw hand, en tot voorhoofdsbanden tussen uw ogen; want JAHWEH heeft door een sterke hand ons uit Egypte uitgevoerd.
17En het is gebeurd, toen Farao het volk had laten trekken, zo leidde hen God niet op de weg van het land van de Filistijnen, hoewel die nader was; want God zei: Dat het volk er geen spijt van krijgt, als zij de strijd zien zouden, en terugkeren naar Egypte.
18Maar God leidde het volk om, langs de weg van de woestijn van de Schelfzee. De Israëlieten nu trokken bij vijven uit Egypteland.
19En Mozes nam de beenderen van Jozef met zich; want hij had met een zware eed de Israëlieten bezworen, zeggende: God zal u voorzeker bezoeken; voer dan mijn beenderen met u op van hier!
20Zo reisden zij uit Sukkoth; en zij sloegen hun kamp op in Etham, aan het einde van de woestijn.
21En JAHWEH trok voor hun aangezicht, overdag in een wolkkolom, dat Hij hen op de weg leidde, en in de nacht in een vuurkolom, dat Hij hen lichtte, om voort te gaan dag en nacht.
22Hij nam de wolkkolom overdag, noch de vuurkolom in de nacht niet weg van het aangezicht van het volk.