Exodus 14
Lees Exodus 14 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
God wijst de Israëlieten de weg die zij zullen ingaan, vers 1 enz. Farao vervolgt hen, 5. Zij zijn zeer beangst als zij dat horen, en zij morren, 10. Mozes troost en sterkt hen, 13. De engel van de HEERE wijst hun de weg met de wolkkolom, 19. Mozes deelt de zee vaneen, 21. De kinderen van Israël gaan droogvoets daardoor, 22. De Egyptenaren volgen hen, 23. God beveelt Mozes zijn hand weer over de zee uit te strekken, 26. Die terugkeert en Farao met al de zijnen verdrinkt, 27. zodat er niet één van hen overbleef, 28.
1Toen sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende:
2Spreek tot de Israëlieten, dat zij terugkeren, en zich legeren voor Pi-hachiroth, tussen Migdol en tussen de zee, voor Baäl-zefon; daar tegenover zult u zich legeren aan de zee.
3Farao dan zal zeggen van de Israëlieten: Zij zijn verward in het land; de woestijn heeft hen ingesloten.
4En Ik zal Farao's hart verstokken, dat hij hen najage; en Ik zal aan Farao en aan al zijn leger verheerlijkt worden, zo dat de Egyptenaars zullen weten, dat Ik JAHWEH ben. En zij deden zo.
5Toen nu de koning van Egypte werd geboodschapt, dat het volk vluchtte, zo is het hart van Farao en van zijn knechten veranderd tegen het volk, en zij zeiden: Waarom hebben wij dat gedaan, dat wij Israël hebben laten trekken, dat zij ons niet dienden?
6En hij spande zijn wagen aan, en nam zijn volk met zich.
7En hij nam zeshonderd uitgelezen wagens, ja, al de wagens van Egypte, en de bevelhebbers over die allen.
8Want JAHWEH verstokte het hart van Farao, de koning van Egypte, dat hij de Israëlieten nastreefde; maar de Israëlieten waren door een hoge hand uitgegaan.
9En de Egyptenaars jaagden hen na, en achterhaalden hen, daar zij zich gelegerd hadden aan de zee; al de paarden, de wagens van Farao en zijn ruiters, en zijn leger; naast Pi-hachiroth, voor Baäl-zefon.
10Als Farao nabij gekomen was, zo hieven de Israëlieten hun ogen op, en ziet, de Egyptenaars trokken achter hen; en zij vreesden zeer; toen riepen de Israëlieten tot JAHWEH.
11En zij zeiden tot Mozes: Hebt u ons daarom, omdat er in Egypte geheel geen graven waren, weggenomen, opdat wij in deze woestijn sterven zouden? Waarom hebt u ons dat gedaan, dat u ons uit Egypte uitgevoerd hebt?
12Is dit niet het woord, dat wij in Egypte tot u spraken, zeggende: Houd af van ons, en laat ons de Egyptenaren dienen? Want het was ons beter geweest de Egyptenaren te dienen, dan in deze woestijn te sterven.
13Maar Mozes zei tot het volk: Vrees niet, staat vast, en ziet het heil van JAHWEH, dat Hij vandaag aan u doen zal, want de Egyptenaars, die u vandaag gezien hebt, zult u niet weer zien in eeuwigheid.
14JAHWEH zal voor u strijden, en u zult stil zijn.
15Toen zei JAHWEH tot Mozes: Wat roept u tot Mij? Zeg de Israëlieten, dat zij voorttrekken.
16En u, hef uw staf op, en strek uw hand uit over de zee, en klief dezelfde, dat de Israëlieten door het midden van de zee gaan op het droge.
17En Ik, zie, Ik zal het hart van de Egyptenaren verstokken, dat zij na hen daarin gaan; en Ik zal verheerlijkt worden aan Farao en aan al zijn leger, aan zijn wagens en aan zijn ruiteren.
18En de Egyptenaars zullen weten, dat Ik JAHWEH ben, wanneer Ik verheerlijkt zal worden aan Farao, aan zijn wagens en aan zijn ruiteren.
19En de Engel van God, Die voor het leger van Israël ging, vertrok, en ging achter hen; de wolkkolom vertrok ook van hun aangezicht, en stond achter hen.
20En zij kwam tussen het leger van de Egyptenaren, en tussen het leger van Israël; en de wolk was te gelijk duisternis en verlichtte de nacht; zodat de één tot de ander niet naderde de hele nacht.
21Toen Mozes zijn hand uitstrekte over de zee, zo deed JAHWEH de zee weggaan, door een sterke oostenwind, die hele nacht, en maakte de zee droog, en de wateren werden gekliefd.
22En de Israëlieten zijn ingegaan in het midden van de zee, op het droge; en de wateren waren hun een muur, aan hun rechterhand en aan hun linkerhand.
23En de Egyptenaars vervolgden hen, en gingen in, achter hen, al de paarden van Farao, zijn wagens en zijn ruiteren, in het midden van de zee.
24En het gebeurde in dezelfde morgenwake, dat JAHWEH, in de kolom van het vuur en van de wolk, zag op het leger van de Egyptenaren; en Hij verschrikte het leger van de Egyptenaren.
25En Hij stootte de wielen van hun wagens weg, en deed ze moeizaam voortvaren. Toen zeiden de Egyptenaars: Laat ons vluchten van het aangezicht van Israël, want JAHWEH strijdt voor hen tegen de Egyptenaars.
26En JAHWEH zei tot Mozes: Strek uw hand uit over de zee, dat de wateren terugkeren over de Egyptenaars, over hun wagens en over hun ruiters.
27Toen strekte Mozes zijn hand uit over de zee; en de zee kwam weer, tegen het naderen van de morgenstond, tot haar kracht; en de Egyptenaars vluchtten die tegemoet; en JAHWEH stortte de Egyptenaars in het midden van de zee.
28Want als de wateren wederkeerden, zo bedekten zij de wagens en de ruiters van het hele leger van Farao, dat hen nagevolgd was in de zee; er bleef niet één van hen over.
29Maar de Israëlieten gingen op het droge, in het midden van de zee; en de wateren waren hun een muur, aan hun rechterhand en aan hun linkerhand.
30Zo verloste JAHWEH Israël aan die dag uit de hand van de Egyptenaren; en Israël zag de Egyptenaren dood aan de oever van de zee.
31Ook zag Israël de grote hand, die JAHWEH aan de Egyptenaren bewezen had; en het volk vreesde JAHWEH, en geloofde in JAHWEH, en aan Mozes, Zijn knecht.