BijbelExodus

Exodus 15

Lees Exodus 15 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

De lofzang van Mozes en de kinderen van Israël voor hun verlossing en de ondergang van Farao in de Rode Zee, vers 1 enz. Mirjam en de Israëlitische vrouwen antwoorden daarop, en loven ook God de HEERE voor deze verlossing, 20. In de woestijn komen zij te Sur, waar zij geen drinkbaar water vinden, 22. Te Mara vinden zij bitter water, 23. Het volk mort, 24. Mozes wordt een boom getoond die het water zoet maakt, 25. De HEERE geeft hun wetten en doet hun vaderlijke beloften, 26. Te Elim vinden zij twaalf waterbronnen en zeventig palmbomen, 27.

1Toen zong Mozes en de Israëlieten JAHWEH dit lied, en spraken, zeggende: Ik zal JAHWEH zingen; want Hij is hoog verheven! Het paard en zijn ruiter heeft Hij in de zee geworpen.

2JAHWEH is mijn Kracht en Lied, en Hij is mij tot een Heil geweest; deze is mijn God; daarom zal ik Hem een liefelijke woning maken; Hij is van mijn vader God, daarom zal ik Hem verheffen!

3JAHWEH is een soldaat; JAHWEH is Zijn Naam!

4Hij heeft Farao's wagens en zijn leger in de zee geworpen; en de besten van zijn bevelhebbers zijn verdronken in de Schelfzee.

5De afgronden hebben hen bedekt; zij zijn in de diepten gezonken als een steen.

6O JAHWEH! Uw rechterhand is verheerlijkt geworden in macht; Uw rechterhand, o JAHWEH! heeft de vijand verbroken!

7En door Uw grote hoogheid hebt U, die tegen U opstonden, omgeworpen; U hebt Uw brandenden toorn uitgezonden, die hen verteerd heeft als een stoppel.

8En door het geblaas van Uw neus zijn de wateren opgehoopt geworden; de stromen hebben overeind gestaan, als één hoop; de afgronden zijn stijf geworden in het hart van de zee.

9De vijand zei: Ik zal vervolgen, ik zal achterhalen, ik zal de buit delen, mijn ziel zal van hen vervuld worden, ik zal mijn zwaard uittrekken, mijn hand zal hen uitroeien.

10U hebt met Uw wind geblazen; de zee heeft hen gedekt, zij zonken onder als lood in geweldige wateren!

11O JAHWEH! wie is als U onder de goden? wie is als U, verheerlijkt in heiligheid, vreselijk in lofzangen, doende wonder?

12U hebt Uw rechterhand uitgestrekt, de aarde heeft hen verslonden!

13U leidde door Uw goedertierenheid dit volk, dat U verlost hebt; U voert hen zachtkens door Uw sterkte tot de liefelijke woning van Uw heiligheid.

14De volken hebben het gehoord, zij zullen sidderen; smart heeft de ingezetenen van Palestina bevangen.

15Dan zullen de vorsten van Edom verbaasd wezen; beving zal de machtigen van de Moabieten bevangen; al de ingezetenen van Kanaän zullen versmelten!

16Verschrikking en vrees zal op hen vallen; door de grootheid van Uw arm zullen zij verstommen, als een steen, totdat Uw volk, JAHWEH! heen doorkome; totdat dit volk heen doorkome, dat U verworven hebt.

17Die zult U inbrengen, en planten hen op de berg van Uw erfenis, ter plaatse, die U, o JAHWEH! gemaakt hebt tot Uw woning, het heiligdom, dat Uw handen gesticht hebben, o JAHWEH!

18JAHWEH zal in eeuwigheid en steeds regeren!

19Want Farao's paard, met zijn wagen, met zijn ruiters, zijn in de zee gekomen, en JAHWEH heeft de wateren van de zee over hen doen terugkeren; maar de Israëlieten zijn op het droge in het midden van de zee gegaan.

20En Mirjam, de profetes, Aärons zus, nam een trommel in haar hand; en al de vrouwen gingen uit, haar na, met trommelen en met reien.

21Toen antwoordde Mirjam hun: Zing JAHWEH; want Hij is hoog verheven! Hij heeft het paard met zijn ruiter in de zee gestort!

22Hierna deed Mozes de Israëlieten voortreizen van de Schelfzee af; en zij trokken uit tot in de woestijn Sur, en zij gingen drie dagen in de woestijn, en vonden geen water.

23Toen kwamen zij te Mara; maar zij konden het water van Mara niet drinken, want het was bitter; daarom werd van die naam genoemd Mara.

24Toen morde het volk tegen Mozes, zeggende: Wat zullen wij drinken?

25Hij dan riep tot JAHWEH; en JAHWEH wees hem een hout, dat wierp hij in dat water; toen werd het water zoet. Daar stelde Hij het volk een inzetting en recht, en daar verzocht Hij hetzelfde,

26En zei: Is het, dat u met ernst naar de stem van JAHWEH van uw God horen zult, en doen, wat recht is in Zijn ogen, en uw oren neigt tot Zijn geboden, en houdt al Zijn voorschriften; zo zal Ik geen van de ziekten op u leggen, die Ik op Egypteland gelegd heb; want Ik ben JAHWEH, uw Heelmeester!

27Toen kwamen zij te Elim, en daar waren twaalf waterfonteinen, en zeventig palmbomen; en zij sloegen hun kamp op daar aan de wateren.