Exodus 16
Lees Exodus 16 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
De kinderen van Israël komen in de woestijn Sin, vers 1 enz. Zij morren omdat zij geen brood hebben, 2. God belooft en geeft hun brood uit de hemel, 4. En kwartels, 8. Het manna werd op de sabbat niet gevonden, 25. De Israëlieten noemen het man; zijn uiterlijk, 31. Een gomer ervan wordt bewaard voor de nakomelingen, 32. Hoe lang zij manna gegeten hebben, 35. Wat een gomer is, 36.
1Toen zij van Elim gereisd waren, zo kwam de hele gemeenschap van de Israëlieten in de woestijn Sin, die is tussen Elim en tussen Sinaï, aan de vijftiende dag van de tweede maand, nadat zij uit Egypteland uitgegaan waren.
2En de hele gemeenschap van de Israëlieten morde tegen Mozes en tegen Aäron, in de woestijn.
3En de Israëlieten zeiden tot hen: Och, dat wij in Egypteland gestorven waren door de hand van JAHWEH, toen wij bij de vleespotten zaten, toen wij tot verzadiging brood aten! Want u hebt ons uitgeleid in deze woestijn, om deze hele gemeente door de honger te doden.
4Toen zei JAHWEH tot Mozes: Zie, Ik zal voor u brood uit de hemel regenen; en het volk zal uitgaan, en verzamelen elke dagmaat op haar dag; opdat Ik het verzoeke, of het in Mijn wet ga, of niet.
5En het zal gebeuren op de zesde dag, dat zij bereiden zullen wat zij ingebracht zullen hebben; dat zal dubbel zijn boven wat zij dagelijks zullen verzamelen.
6Toen zeiden Mozes en Aäron tot al de Israëlieten: Aan de avond, dan zult u weten, dat u JAHWEH uit Egypteland uitgeleid heeft;
7En morgen, dan zult u de heerlijkheid van JAHWEH zien, omdat Hij uw geklaag tegen JAHWEH gehoord heeft; want wat zijn wij, dat u tegen ons mort?
8Verder zei Mozes: Als JAHWEH u aan de avond vlees te eten zal geven, en aan de morgen brood tot verzadiging, het zal zijn, omdat JAHWEH uw geklaag gehoord heeft, die u tegen Hem mort; want wat zijn wij? Uw geklaag zijn niet tegen ons, maar tegen JAHWEH.
9Daarna zei Mozes tot Aäron: Zeg tot de hele gemeenschap van de Israëlieten: Nader voor het aangezicht van JAHWEH, want Hij heeft uw geklaag gehoord.
10En het gebeurde, als Aäron tot de hele gemeenschap van de Israëlieten sprak, en zij zich naar de woestijn keerden, zo ziet, de heerlijkheid van JAHWEH verscheen in de wolk.
11Ook heeft JAHWEH tot Mozes gesproken, zeggende:
12Ik heb het geklaag van de Israëlieten gehoord; spreek tot hen, zeggende: Tussen de twee avonden zult u vlees eten, en aan de morgen zult u met brood verzadigd worden; en u zult weten, dat Ik JAHWEH uw God ben.
13En het gebeurde aan de avond, dat er kwartels opkwamen, en het leger bedekten; en aan de morgen lag de dauw rondom het leger.
14Als nu de liggende dauw opgevaren was, zo ziet, over de woestijn was een klein rond ding, klein als de rijm, op de aarde.
15Toen het de Israëlieten zagen, zo zeiden zij, de één tot de ander: Het is Man, want zij wisten niet wat het was. Mozes dan zei tot hen: Dit is het brood, dat JAHWEH u te eten gegeven heeft.
16Dit is het woord, dat JAHWEH geboden heeft: Verzamel daarvan een ieder naar dat hij eten mag, een gomer voor een hoofd, naar het getal van uw zielen; ieder zal nemen voor degenen, die in zijn tent zijn.
17En de Israëlieten deden zo, en verzamelden, de één veel en de ander weinig.
18Maar als zij het met de gomer maten, zo had hij, die veel verzameld had, niets over, en die, die weinig verzameld had, ontbrak niet; ieder verzamelde zoveel, als hij eten mocht.
19En Mozes zei tot hen: Niemand late daarvan over tot de morgen.
20Maar zij hoorden niet naar Mozes, maar sommige mannen lieten daarvan over tot de morgen. Toen groeiden er wormen in, en het werd stinkende; daarom werd Mozes zeer boos op hen.
21Zij nu verzamelden het elke morgen, ieder naardat hij eten mocht; want als de zon heet werd, zo versmolt het.
22En het gebeurde op de zesde dag, dat zij dubbel brood verzamelden, twee gomers voor een; en al de oversten van de vergadering kwamen en verkondigden het aan Mozes.
23Hij dan zei tot hen: Dit is het, dat JAHWEH gesproken heeft: Morgen is de rust, de heilige sabbat van JAHWEH! wat u bakken zou, bakt dat, en kook, wat u koken zou; en al wat over blijft, legt het op voor u in bewaring tot de morgen.
24En zij leiden het op tot de morgen, zoals Mozes geboden had; en het stonk niet, en er was geen worm in.
25Toen zei Mozes: Eet dat vandaag, want het is vandaag de sabbat van JAHWEH; u zult het vandaag op het veld niet vinden.
26Zes dagen zult u het verzamelen; maar op de zevende dag is het sabbat, daarop zal het niet zijn.
27En het gebeurde aan de zevende dag, dat sommigen van het volk uitgingen, om te verzamelen; maar zij vonden niet.
28Toen zei JAHWEH tot Mozes: Hoe lang weigert u te houden Mijn geboden en Mijn wetten?
29Zie, omdat JAHWEH u de sabbat gegeven heeft, daarom geeft Hij u aan de zesde dag voor twee dagen brood; een ieder blijve in zijn plaats! dat niemand uit zijn plaats ga op de zevende dag!
30Zo rustte het volk op de zevende dag.
31En het huis van Israël noemde zijn naam Man; en het was als korianderzaad, wit, en de smaak daarvan was als honigkoeken.
32Verder zei Mozes: Dit is het woord, dat JAHWEH bevolen heeft: Vul een gomer daarvan tot bewaring voor uw generaties, opdat zij zien het brood, dat Ik u heb te eten gegeven in deze woestijn, toen Ik u uit Egypteland uitleidde.
33Ook zei Mozes tot Aäron: Neem een kruik, en doe een gomer vol Man daarin; en zet die voor het aangezicht van JAHWEH, tot bewaring voor uw generaties.
34Zoals JAHWEH aan Mozes geboden had, zo zette ze Aäron voor de getuigenis tot bewaring.
35En de Israëlieten aten Man veertig jaren, totdat zij in een bewoond land kwamen; zij aten Man, totdat zij kwamen aan de grens van het land Kanaän.
36Een gomer nu is het tiende deel van een efa.