Exodus 17
Lees Exodus 17 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Het volk mort te Rafidim om water, vers 1 enz. Mozes, tot de HEERE roepende, verkrijgt water uit de rots te Horeb, 4. De plaats wordt Massa en Meriba genoemd, 7. Amalek strijdt tegen Israël, 8. Zolang Mozes met opgeheven handen bidt, overwint Israël, 11. God beveelt Amalek uit te roeien, 14. Mozes bouwt een altaar, dat hij noemt: De HEERE is mijn banier, 15.
1Daarna trok de hele gemeenschap van de Israëlieten, naar hun dagreizen, uit de woestijn Sin, op het bevel van JAHWEH, en zij sloegen hun kamp op te Rafidim. Daar nu was geen water voor het volk om te drinken.
2Toen twistte het volk met Mozes, en zei: Geef u ons water, dat wij drinken! Mozes dan zei tot hen: Wat twist u met mij? Waarom verzoekt u JAHWEH?
3Toen nu het volk daar dorstte naar water, zo morde het volk tegen Mozes, en het zei: Waartoe hebt u ons nu uit Egypte doen optrekken, opdat u mij, en mijn kinderen, en mijn vee, van dorst deedt sterven?
4Zo riep Mozes tot JAHWEH, zeggende: Wat zal ik dit volk doen? Er faalt niet veel aan, of zij zullen mij stenigen.
5Toen zei JAHWEH tot Mozes: Ga heen voor het aangezicht van het volk, en neem met u uit de oudsten van Israël; en neem uw staf in uw hand, waarmee u de rivier sloegt, en ga heen.
6Zie, Ik zal daar voor uw aangezicht op de rotssteen in Horeb staan; en u zult op de rotssteen slaan, zo zal er water uitgaan, dat het volk drinke. Mozes nu deed zo voor de ogen van de oudsten van Israël.
7En hij noemde de naam van die plaats Massa en Meriba, om de twist van de Israëlieten, en omdat zij JAHWEH verzocht hadden, zeggende: Is JAHWEH in het midden van ons, of niet?
8Toen kwam Amalek en streed tegen Israël in Rafidim.
9Mozes dan zei tot Jozua: Kies ons mannen, en trek uit, strijd tegen Amalek; morgen zal ik op de hoogte van de heuvel staan, en de staf Gods zal in mijn hand zijn.
10Jozua nu deed, als Mozes hem gezegd had, strijdende tegen Amalek; maar Mozes, Aäron en Hur klommen op de hoogte van de heuvel.
11En het gebeurde, terwijl Mozes zijn hand ophief, zo was Israël de sterkste; maar terwijl hij zijn hand neerliet, zo was Amalek de sterkste.
12Maar de handen van Mozes werden zwaar; daarom namen zij een steen, en legden die onder hem, dat hij daarop zat; en Aäron en Hur onderstutten zijn handen, de één op deze, de ander op de andere zijde; zo waren zijn handen vast, totdat de zon onderging.
13Zo dat Jozua Amalek en zijn volk krenkte, door de scherpte van het zwaard.
14Toen zei JAHWEH tot Mozes: Schrijf dit ter herinnering in een boek, en leg het in de oren van Jozua, dat Ik de herinnering van Amalek geheel uitdelgen zal van onder de hemel.
15En Mozes bouwde een altaar; en hij noemde zijn naam: JAHWEH is mijn Banier!
16En hij zei: Omdat de hand op de troon van JAHWEH is, zo zal de oorlog van JAHWEH tegen Amalek zijn, van geslacht tot geslacht!