Exodus 20
Lees Exodus 20 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
God geeft Mozes de Tien Geboden op de berg Sinaï, vers 1 enz. Met donder, bliksem, geluid van bazuinen enz. waardoor het volk verschrikte, 18. Mozes troost hen, 20. God verbiedt hun zeer ernstig alle afgoderij, 23. Hoe God wilde dat men Hem een altaar zou bouwen, 24.
1Toen sprak God al deze woorden, zeggende:
2Ik ben JAHWEH uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb.
3U zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.
4U zult u geen gesneden beeld, noch enige afbeelding maken, van wat boven in de hemel is, noch van wat onder op de aarde is, noch van wat in de wateren onder de aarde is.
5U zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, JAHWEH uw God, ben een jaloers God, Die de misdaad van de vaders bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde geslacht van degenen, die Mij haten;
6En doe barmhartigheid aan duizenden van degenen, die Mij liefhebben, en Mijn geboden onderhouden.
7U zult de naam van JAHWEH van uw God niet zinloos gebruiken; want JAHWEH zal niet onschuldig houden, die Zijn naam zinloos gebruikt.
8Gedenk de sabbatdag, dat u die heiligt.
9Zes dagen zult u arbeiden en al uw werk doen,
10Maar de zevende dag is de sabbat van JAHWEH van uw God; dan zult u geen werk doen, u, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienaar, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uw poorten is;
11Want in zes dagen heeft JAHWEH de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag; daarom zegende JAHWEH de sabbatdag, en heiligde dezelfde.
12Eer uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land dat JAHWEH, uw God, u geeft.
13U zult niet doodslaan.
14U zult niet echtbreken.
15U zult niet stelen.
16U zult geen vals getuigenis spreken tegen uw naaste.
17U zult niet begeren het huis van uw naaste; u zult niet begeren de vrouw van uw naaste, noch zijn dienaar, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets, dat van uw naasten is.
18En al het volk zag de donderen, en de bliksemen, en het geluid van de bazuin, en de rokenden berg; toen het volk dat zag, weken zij af, en stonden van verre;
19En zij zeiden tot Mozes: Spreek u met ons, en wij zullen horen; en dat God met ons niet spreke, opdat wij niet sterven!
20En Mozes zei tot het volk: Vrees niet, want God is gekomen, opdat Hij u verzocht, en opdat Zijn vrees voor uw aangezicht zou zijn, dat u niet zondigde.
21En het volk stond van verre; maar Mozes naderde tot de donkerheid, alwaar God was.
22Toen zei JAHWEH tot Mozes: Zo zult u tot de Israëlieten zeggen: U hebt gezien, dat Ik met u van de hemel gesproken heb.
23U zult naast Mij niet maken zilveren goden, en gouden goden zult u zich niet maken.
24Maak Mij een altaar van aarde, en offert daarop uw brandoffers, en uw dankoffers, uw schapen, en uw runderen; aan alle plaats, waar Ik een herinnering aan Mijn Naam stichten zal, zal Ik tot u komen, en zal u zegenen.
25Maar als u Mij een stenen altaar zult maken, zo zult u dit niet bouwen van gehouwen steen; zo u uw houwijzer daarover verheft, zo zult u het ontheiligen.
26U zult ook niet met trappen tot Mijn altaar opklimmen, opdat uw schaamte voor hetzelfde niet ontbloot wordt.