BijbelExodus

Exodus 21

Lees Exodus 21 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Wetten aangaande de slaven, vers 1 enz. Knechten van wie het oor doorboord is, 5. Rechten voor slavinnen, 7. Over doodslagers, 12. Over mensendieven, 16. Over hen die hun ouders vervloeken, 17. Over hen die slaan, 18. Over hen die een zwangere vrouw verwonden, 22. Over een meester die zijn knecht of slavin een oog of tand uitslaat, 26. Over een stotige os, 28. Over hen die door het graven van een put de os van hun naaste beschadigen, 33.

1Dit nu zijn de rechten, die u hun zult voorstellen.

2Als u een Hebreeuwse knecht kopen zult, die zal zes jaren dienen; maar in het zevende zal hij voor vrij uitgaan, om niet.

3Als hij met zijn lijf ingekomen zal zijn, zo zal hij met zijn lijf uitgaan; als hij een getrouwd man was, zo zal zijn vrouw met hem uitgaan.

4Als hem zijn heer een vrouw gegeven, en zij hem zonen of dochters gebaard zal hebben, zo zal de vrouw en haar kinderen van haar heer zijn, en hij zal met zijn lijf uitgaan.

5Maar als de knecht ronduit zeggen zal: Ik heb mijn heer, mijn vrouw en mijn kinderen lief, ik wil niet vrij uitgaan;

6Zo zal hem zijn heer tot de rechters brengen, daarna zal hij hem aan de deur, of aan de post brengen; en zijn heer zal hem met een priem zijn oor doorboren, en hij zal hem eeuwig dienen.

7Wanneer nu iemand zijn dochter zal verkocht hebben tot een dienstmaagd, zo zal zij niet uitgaan, zoals de knechten uitgaan.

8Als zij kwalijk bevalt in de ogen van haar heer, dat hij haar niet ondertrouwd heeft, zo moet hij haar laten vrijkopen; aan een vreemd volk haar te verkopen is hem niet toegestaan, omdat hij trouweloos met haar gehandeld heeft.

9Maar als hij haar aan zijn zoon ondertrouwt, zo zal hij met haar doen naar het recht van de dochters.

10Als hij voor zich een andere neemt, zo zal hij aan deze haar voedsel, haar deksel, en haar huwelijksplicht niet onttrekken.

11En als hij haar deze drie dingen niet doet, zo zal zij om niet uitgaan, zonder geld.

12Wie iemand slaat, dat hij sterft, die zal zeker gedood worden.

13Maar die hem niet nagesteld heeft, maar God heeft hem zijn hand doen ontmoeten, zo zal Ik u een plaats bestellen, waar hij heen vlucht.

14Maar als iemand tegen zijn naaste moedwillig gehandeld heeft, om hem met list te doden, zo zult u dezelfde van voor Mijn altaar nemen, dat hij sterve.

15Zo wie zijn vader of zijn moeder slaat, die zal zeker gedood worden.

16Verder, zo wie een mens steelt, hetzij dat hij die verkocht heeft, of dat hij in zijn hand gevonden wordt, die zal zeker gedood worden.

17Wie ook zijn vader of zijn moeder vloekt, die zal zeker gedood worden.

18En wanneer mannen twisten, en de één slaat de ander met een steen, of met een vuist, en hij sterft niet, maar valt te bedde;

19Als hij weer opstaat, en op straat gaat bij zijn stok, zo zal hij, die hem sloeg, onschuldig zijn; alleen zal hij geven wat hij verzuimd heeft, en hij zal hem volkomen laten helen.

20Wanneer ook iemand zijn dienaar of zijn dienstmaagd met een stok slaat, dat hij onder zijn hand sterft, die zal zeker gewroken worden.

21Zo hij toch een dag of twee dagen overeind blijft, zo zal hij niet gewroken worden; want hij is zijn geld.

22Wanneer nu mannen kijven, en slaan een zwangere vrouw, dat haar de vrucht afgaat, maar geen dodelijk verderf zij, zo zal hij zeker gestraft worden, zoals hem de man van de vrouw oplegt, en hij zal het geven door de rechters.

23Maar als er een dodelijk verderf zal zijn, zo zult u geven ziel voor ziel,

24Oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand, voet voor voet.

25Brand voor brand, wond voor wond, buil voor buil.

26Wanneer ook iemand het oog van zijn dienaar, of het oog van zijn dienstmaagd slaat, en verderft het, hij zal hem vrij laten gaan voor zijn oog.

27En als hij een tand van zijn dienaar, of een tand van zijn dienstmaagd uitslaat, zo zal hij hem vrijlaten voor zijn tand.

28En wanneer een os een man of een vrouw stoot, dat hij sterft, zal de os zeker gestenigd worden, en zijn vlees zal niet gegeten worden; maar de heer van de os zal onschuldig zijn.

29Maar als de os te voren stotig geweest is, en zijn heer is daarvan overtuigd geweest, en hij hem niet bewaard heeft, en hij doodt een man of een vrouw, zo zal die os gestenigd worden, en zijn heer zal ook gedood worden.

30Als hem losgeld opgelegd wordt, zo zal hij tot losprijs van zijn ziel geven naar alles, wat hem zal opgelegd worden;

31Hetzij dat hij een zoon gestoten heeft, of een dochter gestoten heeft, naar dat recht zal hem gedaan worden.

32Als de os een knecht of een dienstmaagd stoot, hij zal zijn heer dertig zilverlingen geven, en de os zal gestenigd worden.

33En wanneer iemand een kuil opent, of wanneer iemand een kuil graaft, en hij dekt hem niet toe, en een os of ezel valt daarin;

34De heer van de kuil zal het vergelden; hij zal aan de heer daarvan het geld terugkeren; maar het dode zal van hem wezen.

35Wanneer nu iemands os de os van zijn naaste kwetst, dat hij sterft, zo zal men de levende os verkopen, en het geld daarvan half en half delen, en de dode zal men ook half en half delen.

36Of is het bekend geweest, dat die os van te voren stotig was, en zijn heer heeft hem niet bewaard, zo zal hij in alle manier os voor os vergelden; maar de dode zal van hem wezen.