BijbelExodus

Exodus 22

Lees Exodus 22 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Over diefstal, vers 1 enz. over schade die iemands beest in andermans land aanricht, 5. over schade die door het vuur ontstaat, 6. over schade aan goederen die men in bewaring heeft ontvangen, 7. over schade aan iets dat geleend is, 14. over een meisje dat tot hoererij verleid wordt, 16. over toverij, 18. over de onkuisheid met dieren, 19. over afgoderij, 20. dat men de vreemdelingen, weduwen noch wezen schade zal toebrengen, 21. over woeker, 25. over het in pand nemen van kleren, 26. over het eren van de overheid, 28. over de eerstelingen, 29. over het eten van de verscheurde dieren, 31.

1Wanneer iemand een os, of klein vee steelt, en slacht het, of verkoopt het, die zal vijf runderen voor een os wedergeven, en vier schapen voor een stuk klein vee.

2Als een dief gevonden wordt in het doorgraven, en hij wordt geslagen, dat hij sterft, het zal hem geen bloedschuld zijn.

3Als de zon over hem opgegaan is, zo zal het hem een bloedschuld zijn; hij zal het volkomen wedergeven; heeft hij niet, zo zal hij verkocht worden voor zijn dieverij.

4Als de diefstal levend in zijn hand voorzeker gevonden wordt, hetzij os, of ezel, of klein vee, hij zal het dubbel wedergeven.

5Wanneer iemand een veld, of een wijngaard laat afweiden, en hij zijn beest daarin drijft, dat het in van een ander veld weidt, die zal het van het beste van zijn veld en van het beste van zijn wijngaard wedergeven.

6Wanneer een vuur uitgaat, en vat de doornen, zodat de koornhoop verteerd wordt, of het staande koren, of het veld; hij, die de brand heeft aangestoken, zal het volkomen wedergeven.

7Wanneer iemand zijn naaste geld of voorwerpen te bewaren geeft, en het wordt uit het huis van die man gestolen; als de dief gevonden wordt, hij zal het dubbel wedergeven.

8Als de dief niet gevonden wordt, zo zal de heer van het huis tot de rechters gebracht worden, of hij niet zijn hand aan de bezittingen van zijn naaste gelegd heeft.

9Over alle zaak van onrecht, over een os, over een ezel, over klein vee, over kleding, over al het verlorene, dat iemand zegt, dat het zijn is, beider zaak zal voor de rechters komen; wie de rechters verwijzen, die zal het aan zijn naaste dubbel wedergeven.

10Wanneer iemand aan zijn naaste een ezel, of os, of klein vee, of enig beest te bewaren geeft, en het sterft, of het wordt verzeerd, of weggedreven, dat het niemand ziet;

11Zo zal de eed van JAHWEH tussen hen beiden zijn, of hij niet zijn hand aan de bezittingen van zijn naaste geslagen heeft; en de eigenaar zal dat aannemen; en hij zal het niet wedergeven.

12Maar als het van hem zeker gestolen is, hij zal het zijn heer wedergeven.

13Is het zeker verscheurd, dat hij het brenge tot getuige, zo zal hij het verscheurde niet wedergeven.

14En wanneer iemand van zijn naaste wat begeert, en het wordt beschadigd, of het sterft; zijn heer daar niet bij zijnde, zal hij het volkomen wedergeven.

15Als zijn heer daarbij geweest is, hij zal het niet wedergeven; als het gehuurd is, zo is het voor zijn huur gekomen.

16Wanneer nu iemand een maagd verlokt, die niet ondertrouwd is, en hij ligt bij haar, die zal haar zonder uitstel een bruidschat geven, dat zij hem zijn vrouw wordt.

17Als haar vader geheel weigert haar aan hem te geven, zo zal hij geld geven naar de bruidschat van de maagden.

18De toveres zult u niet laten leven.

19Al wie bij een beest ligt, die zal zeker gedood worden.

20Wie de goden offert, behalve JAHWEH alleen, die zal verbannen worden.

21U zult ook de vreemdeling geen overlast doen, noch hem onderdrukken; want u bent vreemdelingen geweest in Egypteland.

22U zult geen weduwe noch wees beledigen.

23Als u hen enigszins beledigt, en als zij enigszins tot Mij roepen, Ik zal hun geroep zeker verhoren;

24En Mijn toorn zal ontsteken, en Ik zal u met het zwaard doden; en uw vrouwen zullen weduwen, en uw kinderen zullen wezen worden.

25Als u Mijn volk, dat bij u arm is, geld leent, zo zult u tegen hetzelfde niet zijn, als een woekeraar; u zult op hetzelfde geen rente leggen.

26Als u enigszins van uw naasten kleed te pand neemt, zo zult u het hem wedergeven, voordat de zon ondergaat;

27Want dat alleen is zijn deksel, het is zijn kleed over zijn huid; waarin zou hij liggen? Het zal dan gebeuren, wanneer hij tot Mij roept, dat Ik het zal horen; want Ik ben genadig!

28De rechters zult u niet vloeken, en de oversten in uw volk zult u niet lasteren.

29Uw volheid en uw tranen zult u niet uitstellen; de eerstgeborene van uw zonen zult u Mij geven.

30Evenzo zult u doen met uw ossen en met uw schapen; zeven dagen zullen zij bij hun moeder zijn, op de achtste dag zult u ze Mij geven.

31U nu zult Mij heilige mensen zijn; daarom zult u geen vlees eten, dat op het veld gescheurd is, u zult het de hond voorwerpen.