BijbelExodus

Exodus 23

Lees Exodus 23 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Over vals gerucht en valse getuigenis, vers 1 enz. Men moet het recht niet verdraaien, 2. Men zal zijn vijand goeddoen, 4. De rechters mogen geen geschenken aannemen, 8. noch de vreemdelingen onderdrukken, 9. over het zevende jaar, dat een rustjaar zal zijn, 10. over de sabbatdag, 12. Men zal de naam van andere goden niet noemen, 13. over de drie hoge feesten van het jaar, 14. Men mocht niet offeren met gezuurd brood, 18. God belooft het volk dat een engel voor hen zou gaan, die zij moesten gehoorzamen, 20. Het vereren van vreemde goden wordt verboden, 23. God belooft hen te zegenen die Hem dienen, 25. Dat horzels de vijanden van de Israëlieten zouden uitdrijven, 28. De landgrenzen van het land van de Israëlieten, 31. hun wordt verboden een verbond met de heidenen of hun goden te sluiten, 32. Ja, dezen mochten in het land van de Israëlieten niet wonen.

1U zult geen vals gerucht opnemen; en stelt uw hand niet bij de goddeloze, om een getuige tot geweld te zijn.

2U zult de menigte tot boze zaken niet volgen; en u zult niet spreken in een rechtszaak, dat u zich neigt naar de menigte, om het recht te buigen.

3Ook zult u de geringe niet voortrekken en zijn rechtszaak.

4Wanneer u van uw vijand os, of zijn dwalende ezel, ontmoet, u zult hem dezelfde geheel teruggeven.

5Wanneer u de ezel van uw hater onder zijn last ziet liggen, zult u dan nalatig zijn, om het uwe te verlaten voor hem? U zult het in alle manier met hem verlaten.

6U zult het recht van uw armen niet buigen in zijn rechtszaak.

7Wees verre van valse zaken; en de onschuldige en gerechtige zult u niet doden; want Ik zal de goddeloze niet rechtvaardigen.

8Ook zult u geen geschenk nemen; want het geschenk verblindt de zienden, en het verkeert de zaak van de rechtvaardigen.

9U zult ook de vreemdeling niet onderdrukken; want u kent het gemoed van de vreemdeling, omdat u vreemdelingen geweest bent in Egypteland.

10U zult ook zes jaar uw land bezaaien, en zijn inkomst verzamelen;

11Maar in het zevende zult u het rusten en stil liggen laten, dat de armen van uw volk mogen eten, en het overige daarvan de beesten van het veld eten mogen; zo zult u ook doen met uw wijngaard, en met uw olijfbomen.

12Zes dagen zult u uw werken doen; maar op de zevende dag zult u rusten; opdat uw os en uw ezel ruste, en dat de zoon van uw dienstmaagd en de vreemdeling adem scheppe.

13In alles, wat Ik tot u gezegd heb, zult u op uw hoede zijn; en de naam van andere goden zult u niet gedenken; uit uw mond zal hij niet gehoord worden!

14Drie reizen in het jaar zult u Mij feest houden.

15Het feest van de ongezuurde broden zult u houden; zeven dagen zult u ongezuurde broden eten (zoals Ik u geboden heb), op de vastgestelde tijd in de maand Abib, want daarin bent u uit Egypte getogen; maar men zal niet leeg voor Mijn aangezicht verschijnen.

16En het feest van de oogst, van de eerste vruchten van uw arbeid, die u op het veld gezaaid zult hebben. En het feest van de inzameling, op de uitgang van het jaar, wanneer u uw arbeid uit het veld zult ingezameld hebben.

17Drie malen van het jaar zullen al uw mannen voor het aangezicht van de Heere JAHWEH verschijnen.

18U zult het bloed van Mijn offer met geen gedesemde broden offeren; ook zal het vette van Mijn feest tot op de morgen niet overnachten.

19De eerstelingen van de eerste vruchten van uw land zult u in het huis van JAHWEH van uw God brengen. U zult het bokje niet koken in de melk van zijn moeder.

20Zie, Ik zend een Engel voor uw aangezicht, om u te behoeden op deze weg, en om u te brengen tot de plaats, die Ik bereid heb.

21Hoed u voor Zijn aangezicht, en wees van Zijn stem gehoorzaam, en verbittert Hem niet; want Hij zal uw overtredingen niet vergeven; want Mijn Naam is in het binnenste van Hem.

22Maar zo u Zijn stem ijverig gehoorzaamt, en doet al wat Ik spreken zal, zo zal Ik van uw vijanden vijand, en uw tegenstanders tegenstander zijn.

23Want Mijn Engel zal voor uw aangezicht gaan, en Hij zal u inbrengen tot de Amorieten, en Hethieten, en Ferezieten, en Kanaänieten, Hevieten, en Jebusieten; en Ik zal hen vernietigen.

24U zult u voor hun goden niet buigen, noch hen dienen; ook zult u naar hun werken niet doen; maar u zult ze geheel afbreken, en hun opgerichte beelden geheel vermorzelen.

25En u zult JAHWEH uw God dienen, zo zal Hij uw brood en uw water zegenen; en Ik zal de ziekten uit het midden van u weren.

26Er zal geen misdrachtige, noch onvruchtbare in uw land zijn; Ik zal het getal van uw dagen vervullen.

27Ik zal Mijn schrik voor uw aangezicht zenden, en al het volk, tot dat u komt, versaagd maken; en Ik zal maken, dat al uw vijanden u de nek toekeren.

28Ik zal ook horzels voor uw aangezicht zenden; die zullen van voor uw aangezicht uitstoten de Hevieten, de Kanaänieten en de Hethieten.

29Ik zal hen in één jaar van uw aangezicht niet uitstoten, opdat het land niet woest wordt, en het wild gedierte boven u niet vermenigvuldigd wordt.

30Ik zal hen langzamerhand van uw aangezicht uitstoten, totdat u gewassen bent en het land erft.

31En Ik zal uw gebied zetten van de zee Suf tot aan de zee van de Filistijnen, en van de woestijn tot aan de rivier; want Ik zal de inwoners van dat land in uw hand geven, dat u hen voor uw aangezicht uitstoot.

32U zult met hen, noch met hun goden, een verbond maken.

33Zij zullen in uw land niet wonen, opdat zij u tegen Mij niet doen zondigen; als u hun goden dient, het zal u voorzeker tot een valstrik zijn.