BijbelExodus

Exodus 29

Lees Exodus 29 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Over de wijding van Aäron en zijn zonen, vers 1 enz. hoe men de var van het zondoffer moest offeren, 10. en de ene ram tot brandoffer, 15. Ook de andere ram tot heiliging van de priesters, 19. Aäron en zijn zonen aten het vlees van de ram waarmee zij ingewijd waren, 32. Het altaar moest zeven dagen lang ontzondigd worden, 36. Er moesten dagelijks twee lammeren tot brandoffer geofferd worden, 38. God belooft de tabernakel, en ook Aäron en zijn zonen te heiligen, 44. en in het midden van de kinderen van Israël te wonen, 45.

1Dit nu is de zaak, die u hun doen zult, om hen te heiligen, dat zij Mij het priesterambt bedienen: neem één stier, het jong van een rund, en twee volkomen rammen;

2En ongezuurd brood, en ongezuurde koeken, met olie gemengd, en ongezuurde platte koeken, met olie bestreken; van tarwemeelbloem zult u dezelfde maken.

3En u zult ze in één mand leggen, en zult ze in de mand toebrengen, met de stier en de twee rammen.

4Dan zult u Aäron en zijn zonen doen naderen aan de deur van de tent van de samenkomst; en u zult hen met water wassen.

5Daarna zult u de kleren nemen, en Aäron de rok, en de mantel van de efod, en de efod, en de borstlap aandoen; en u zult hem omgorden met de kunstige riem van de efod.

6En u zult de tulband op zijn hoofd zetten; de kroon van de heiligheid zult u aan de tulband zetten.

7En u zult de zalfolie nemen, en op zijn hoofd gieten; zo zult u hem zalven.

8Daarna zult u zijn zonen doen naderen, en zult hen de onderkleding doen aantrekken.

9En u zult hen met de gordel omgorden, namelijk Aäron en zijn zonen; en u zult hun de hoofddoeken opbinden, opdat zij het priesterambt hebben tot een eeuwige inzetting. Verder zult u de hand van Aäron vullen, en de hand van zijn zonen.

10En u zult de stier nabij brengen voor de tent van de samenkomst; en Aäron en zijn zonen zullen hun handen op het hoofd van de stier leggen.

11En u zult de stier slachten voor het aangezicht van JAHWEH, voor de deur van de tent van de samenkomst.

12Daarna zult u van het bloed van de stier nemen, en met uw vinger op de hoornen van het altaar doen; en al het bloed zult u uitgieten aan de bodem van het altaar.

13U zult ook al het vet nemen, dat het binnenste bedekt, en het net over de lever, en zowel nieren als het vet, dat daaraan is, en u zult ze aansteken op het altaar.

14Maar het vlees van de stier, en zijn huid, en zijn mest, zult u met vuur verbranden, buiten het leger; het is een zondoffer.

15Daarna zult u de ene ram nemen, en Aäron en zijn zonen zullen hun handen op het hoofd van de ram leggen;

16En u zult de ram slachten, en u zult zijn bloed nemen, en rondom op het altaar sprenkelen.

17En de ram zult u in zijn delen delen; en u zult zijn binnenste en zijn poten wassen, en op zijn delen, en op zijn hoofd leggen.

18Zo zult u de hele ram aansteken op het altaar; het is een brandoffer voor JAHWEH, tot een liefelijken reuk, het is een vuuroffer voor JAHWEH.

19Daarna zult u de andere ram nemen, en Aäron en zijn zonen zullen hun handen op het hoofd van de ram leggen;

20En u zult de ram slachten, en van zijn bloed nemen, en doen het op het rechter oorlel van Aäron, en op het rechteroorlapje van zijn zonen, evenzo op de duim van hun rechterhand, en op de grote teen van hun rechtervoet; en dat bloed zult u op het altaar sprenkelen, rondom heen.

21Dan zult u nemen van het bloed, dat op het altaar is, en van de zalfolie, en u zult op Aäron en op zijn kleren sprenkelen, en op zijn zonen en op de kleren zijn zonen met hem; opdat hij geheiligd zij, en zijn kleren, ook zijn zonen, en de kleren zijn zonen met hem.

22Daarna zult u van de ram nemen het vet en ook de staart, ook het vet, dat het binnenste bedekt, en het net van de lever en de beide nieren, met het vet, dat daaraan is, en de rechterschouder; want het is een ram van de vuloffers;

23En één broodbol, en één koek geolied brood, en één platte koek, uit de mand van de ongezuurde broden, die voor het aangezicht van JAHWEH zijn zal;

24En leg ze alle op de handen van Aäron, en op de handen van zijn zonen, en beweeg ze als beweegoffer voor het aangezicht van JAHWEH.

25Neem ze daarna van hun hand, en steek ze aan op het altaar, op het brandoffer, tot een liefelijken reuk voor het aangezicht van JAHWEH; het is een vuuroffer voor JAHWEH.

26En neem de borst van de ram van de vuloffers, die van Aäron is, en beweeg hem als beweegoffer voor het aangezicht van JAHWEH; en het zal u ten dele zijn.

27En u zult de borst van het beweegoffer heiligen, en de schouder van het hefoffer, die bewogen, en die opgeheven zal zijn van de ram van het vuloffer, van wat dat van Aäron, en van wat dat van zijn zonen is.

28En het zal voor Aäron en zijn zonen zijn tot een eeuwige inzetting vanwege de Israëlieten; want het is een hefoffer; en het hefoffer vanwege de Israëlieten zal zijn van hun dankoffers; hun hefoffer zal voor JAHWEH zijn.

29De heilige kleren nu, die van Aäron zullen geweest zijn, zullen van zijn zonen na hem zijn, opdat men hen daarin zalve, en dat men hun hand daarin vulle.

30Zeven dagen zal hij ze aantrekken, die uit zijn zonen in zijn plaats priester zal worden, die in de tent van de samenkomst gaan zal, om in het heilige te dienen.

31U zult de ram van de vulling nemen, en u zult zijn vlees in de heilige plaats koken.

32Aäron nu en zijn zonen zullen het vlees van deze ram eten, en het brood, dat in de mand zal zijn, bij de deur van de tent van de samenkomst.

33En zij zullen die dingen eten, met welke de verzoening zal gedaan zijn, om hun hand te vullen, en om hen te heiligen; maar een vreemde zal ze niet eten, want ze zijn heilig.

34En als er wat overblijven zal van het vlees van de vuloffers, of van dit brood, tot aan de morgen, zo zult u het overgeblevene met vuur verbranden; het zal niet gegeten worden, want het is heilig.

35U zult dan aan Aäron en aan zijn zonen zo doen, naar alles, wat Ik u geboden heb; zeven dagen zult u hun hand vullen.

36U zult ook overdag een stier van het zondoffer bereiden, tot de verzoeningen, en u zult het altaar ontzondigen, mits doende de verzoening over hetzelfde; en u zult het zalven, om het te heiligen.

37Zeven dagen zult u verzoening doen voor het altaar, en zult het heiligen; dan zal dat altaar een heiligheid van de heiligheden zijn; al wat het altaar aanroert, zal heilig zijn.

38Dit nu is het, wat u op het altaar bereiden zult: twee lammeren, die eenjarig zijn, overdag, steeds.

39Het ene lam zult u 's morgens bereiden; maar het andere lam zult u bereiden tussen de twee avonden.

40Met een tiende deel meelbloem, gemengd met een vierendeel van een hin gestoten olie; en tot drankoffer een vierde deel van een hin wijn, tot het ene lam.

41Het andere lam nu zult u bereiden tussen de twee avonden; u zult daarmee doen zoals met het morgenspijsoffer, en zoals met het drankoffer dezelfde, tot een liefelijken reuk; het is een vuuroffer voor JAHWEH.

42Het zal een voortdurende brandoffer zijn bij uw generaties, aan de deur van de tent van de samenkomst, voor het aangezicht van JAHWEH; daar zal Ik met u komen, dat Ik daar met u spreke.

43En daar zal Ik komen tot de Israëlieten; opdat zij geheiligd worden door Mijn heerlijkheid.

44En Ik zal de tent van de samenkomst heiligen, en ook het altaar; Ik zal ook Aäron en zijn zonen heiligen, opdat zij Mij het priesterambt bedienen.

45En Ik zal in het midden van de Israëlieten wonen, en Ik zal hun tot een God zijn.

46En zij zullen weten, dat Ik JAHWEH hun God ben, Die hen uit Egypteland uitgevoerd heb, opdat Ik in het midden van hen wonen zou; Ik ben JAHWEH, hun God.