Exodus 30
Lees Exodus 30 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
God beveelt het reukaltaar te maken, vers 1 enz. waarop de hogepriester elke morgen reukwerk moest aansteken, 7. en eenmaal per jaar verzoening op de hoornen daarvan moest doen, 10. Alle kinderen van Israël moesten elk een halve sikkel geven tot verzoening van hun ziel, 12. Er wordt bevel gegeven het koperen wasvat te maken, met zijn voetstuk, en daarin water te doen, zodat de priesters dagelijks hun handen en voeten daarin wasten, 17. Hoe men de heilige zalfolie moest maken, 22. Waarmee men zou zalven, 26. Niemand mocht dergelijke maken, 32. De bereiding van het reukwerk, 34. Hoe men het moest gebruiken, 36. Niemand mocht dergelijke voor zichzelf maken, 37.
1U zult ook een reukaltaar van het reukwerk maken; van sittimhout zult u het maken.
2Een el zal zijn lengte zijn, en een el zijn breedte, vierkant zal het zijn, maar twee ellen zijn hoogte; uit hetzelfde zullen zijn hoornen zijn.
3En u zult het met louter goud overtrekken, zijn dak en zijn wanden rondom, als ook zijn hoornen; en u zult het een gouden krans rondom maken.
4U zult ook twee gouden ringen daaraan maken, onder zijn krans; aan zijn twee zijden zult u dezelfde maken, aan zijn beide zijden; en zij zullen zijn tot plaatsen voor de handbomen, dat men het daarmee drage.
5De draagbomen nu zult u van sittimhout maken, en u zult die met goud overtrekken.
6En u zult het zetten voor het voorhangsel, dat voor de ark van het getuigenis zijn zal; voor het verzoendeksel, dat zijn zal boven de getuigenis, waarheen Ik met u samenkomen zal.
7En Aäron zal daarop aansteken geurende specerijen; elke morgen, als hij de lampen wel zal gereedgemaakt hebben, zal hij dezelfde aansteken.
8En als Aäron de lampen aansteken zal, tussen de twee avonden, zal hij dat aansteken; het zal een steeds reukwerk zijn, voor het aangezicht van JAHWEH, bij uw generaties.
9U zult geen vreemd reukwerk op hetzelfde aansteken, noch brandoffer, noch voedseloffer; u zult ook geen drankoffer daarop gieten.
10En Aäron zal eens in het jaar over zijn hoornen verzoening doen, met het bloed van het zondoffer van de verzoeningen; eens in het jaar zal hij verzoening daarop doen bij uw generaties; het is heiligheid van de heiligheden JAHWEH!
11Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende:
12Als u het aantal van de Israëlieten opnemen zult, naar de ingeschrevenen onder hen, zo zullen zij ieder de verzoening van zijn ziel JAHWEH geven, als u hen tellen zult; opdat onder hen geen plaag zij, als u hen tellen zult.
13Dit zullen zij geven, al die tot de ingeschrevenen overgaat, de helft van een sikkel, naar de sikkel van het heiligdom (deze sikkel is twintig gera); de helft van een sikkel is een hefoffer voor JAHWEH.
14Al wie overgaat tot de ingeschrevenen, van twintig jaar oud en daarboven, zal het hefoffer van JAHWEH geven.
15De rijke zal het niet vermeerderen, en de arme zal niet verminderen van de helft van de sikkel, als u het hefoffer van JAHWEH geeft om voor uw zielen verzoening te doen.
16U dan zult het geld van de verzoeningen van de Israëlieten nemen, en zult het leggen tot de dienst van de tent van de samenkomst; en het zal de Israëlieten ter herinnering zijn, voor het aangezicht van JAHWEH, om voor uw zielen verzoening te doen.
17En JAHWEH sprak tot Mozes, zeggende:
18U zult ook een koperen wasvat maken, met zijn koperen voet, om te wassen; en u zult het zetten tussen de tent van de samenkomst, en tussen het altaar, en u zult water daarin doen;
19Dat Aäron en zijn zonen zich daaruit wassen, hun handen en voeten.
20Wanneer zij in de tent van de samenkomst zullen gaan, zo zullen zij zich met water wassen, opdat zij niet sterven; of wanneer zij tot het altaar naderen, om te dienen, dat zij het vuuroffer voor JAHWEH aansteken;
21Zij zullen dan hun handen en voeten wassen, opdat zij niet sterven; en dit zal hun een eeuwige inzetting zijn, voor hem en zijn zaad, bij hun generaties.
22Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende:
23U nu, neem u de voornaamste specerijen, de zuiverste mirre, vijfhonderd sikkels, en specerijkaneel, half zoveel namelijk tweehonderd en vijftig sikkels, ook specerijkalmus, tweehonderd en vijftig sikkels;
24Ook kassie, vijfhonderd, naar de sikkel van het heiligdom, en olie van olijfbomen een hin;
25En maak daarvan een olie van de heilige zalving, een zalf, heel kunstig gemaakt, naar apothekerswerk; het zal een olie van de heilige zalving zijn.
26En daarmee zult u zalven de tent van de samenkomst, en de ark van het getuigenis.
27En de tafel met al haar gereedschap, en de kandelaar met zijn gereedschap, en het reukaltaar;
28En het altaar van het brandoffer, met al zijn gereedschap, en het wasvat met zijn voet.
29U zult ze zo heiligen, dat zij heiligheid van de heiligheden zijn; al wat ze aanroert, zal heilig zijn.
30U zult ook Aäron en zijn zonen zalven, en u zult hen heiligen, om Mij het priesterambt te bedienen.
31En u zult tot de Israëlieten spreken, zeggende: Dit zal Mij een olie van de heilige zalving zijn bij uw generaties.
32Op geens mensen vlees zal men ze gieten; u zult ook naar haar maaksel geen dergelijke maken; het is heiligheid, zij zal u heiligheid zijn.
33De man, die zulk een zalf maken zal als deze, of die daarvan op wat vreemds doet, die zal uitgeroeid worden uit zijn volken.
34Verder zei JAHWEH tot Mozes: Neem tot u geurende specerijen, mirresap, en oniche, en galban, deze geurende specerijen, en zuiveren wierook; dat elk bijzonder zij.
35En u zult een reukwerk van een zalf daaruit maken, naar het werk van de apotheker, gemengd, rein, heilig.
36En u zult van hetzelfde heel klein pulver stoten, en u zult daarvan leggen voor de getuigenis in de tent van de samenkomst, waarheen Ik tot u komen zal; het zal u heiligheid van de heiligheden zijn.
37Maar naar het maaksel van dit reukwerk, dat u gemaakt zult hebben, zult u voor uzelf geen maken; het zal u heiligheid zijn voor JAHWEH.
38De man, die dergelijke maken zal, om daaraan te ruiken, die zal uitgeroeid worden uit zijn volken.