Exodus 32
Lees Exodus 32 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Het volk laat Aäron een gouden kalf maken, vers 1 enz. waaraan zij offer brengen, 6. God maakt Mozes dit bekend en dreigt hen te verdelgen, 7. Mozes bidt voor hen, 11. en beweegt God tot genade, 14. Mozes komt van de berg met de twee stenen tafelen, 15. die hij in stukken breekt toen hij de afgoderij van het volk hoorde en zag, 19. Hij verbrandt het kalf tot poeder, 20. Hoe Aäron zich verontschuldigt, 22. Mozes laat door de Levieten velen van hen die deze afgoderij begaan hadden, doden, 25. Mozes bidt de HEERE dat Hij Israël deze zonde wil vergeven, of hem uit Zijn boek delgen, 32. God spaart het volk op dit moment, maar straft hen daarna, 34.
1Toen het volk zag, dat Mozes vertoog van de berg af te komen, zo verzamelde zich het volk tot Aäron, en zij zeiden tot hem: Sta op, maak ons goden, die voor ons aangezicht gaan; want deze Mozes, die man, die ons uit Egypteland uitgevoerd heeft, wij weten niet, wat hem gebeurd zij.
2Aäron nu zei tot hen: Ruk af de gouden oorsierselen, die in de oren van uw vrouwen, uw zonen, en van uw dochters zijn; en brengt ze tot mij.
3Toen rukte het hele volk de gouden oorsierselen af, die in hun oren waren; en zij brachten ze tot Aäron.
4En hij nam ze uit hun hand, en hij bewierp het met een griffel, en hij maakte een gegoten kalf daaruit. Toen zeiden zij: Dit zijn uw goden, Israël! die u uit Egypteland opgevoerd hebben.
5Als Aäron dat zag, zo bouwde hij een altaar voor hetzelfde; en Aäron riep uit, en zei: Morgen zal JAHWEH een feest zijn!
6En zij stonden op de andere dag vroeg op, en offerden brandoffer, en brachten dankoffer daartoe; en het volk zat neer om te eten en te drinken; daarna stonden zij op, om te spelen.
7Toen sprak JAHWEH tot Mozes: Ga heen, klim af! want uw volk, dat u uit Egypteland opgevoerd hebt, heeft het verdorven.
8En zij zijn haast afgeweken van de weg, die Ik hun geboden had, zij hebben zich een gegoten kalf gemaakt; en zij hebben zich voor hetzelfde gebogen, en hebben het een offergave gebracht, en gezegd: Dit zijn uw goden, Israël, die u uit Egypteland opgevoerd hebben.
9Verder zei JAHWEH tot Mozes: Ik heb dit volk gezien, en zie, het is een hardnekkig volk!
10En nu, laat Mij toe, dat Mijn toorn tegen hen ontsteke, en hen vertere; zo zal Ik u tot een groot volk maken.
11Maar Mozes aanbad het aangezicht van JAHWEH van zijn God, en hij zei: O JAHWEH! waarom zou Uw toorn ontsteken tegen Uw volk, dat U met grote kracht, en met een sterke hand, uit Egypteland uitgevoerd hebt?
12Waarom zouden de Egyptenaars spreken, zeggende: In kwaadheid heeft Hij hen uitgevoerd, opdat Hij hen doodde op de bergen, en opdat Hij hen vernielde van de aardbodem? Keer af van de hitte van Uw toorn, en laat het U over het kwaad van Uw volk berouwen.
13Gedenk aan Abraham, aan Izak en aan Israël, Uw knechten, aan wie U bij Uzelf gezworen hebt, en hebt tot hen gesproken: Ik zal uw zaad vermenigvuldigen als de sterren van de hemel; en dit hele land, waarvan Ik gezegd heb, zal Ik aan uw zaad geven, dat zij het erfelijk bezitten in eeuwigheid.
14Toen berouwde JAHWEH over het kwaad, dat Hij gesproken had Zijn volk te zullen doen.
15En Mozes wendde zich om, en klom van de berg af, met de twee tafelen van het getuigenis in zijn hand; deze tafelen waren op haar beide zijden beschreven, zij waren op de ene en op de andere zijde beschreven.
16En diezelfde tafelen waren Gods werk; het geschrift was ook Gods geschrift zelf, in de tafelen gegraveerd.
17Toen nu Jozua de stem van het volk hoorde, als het juichte, zo zei hij tot Mozes: Er is een oorlogsgeschreeuw in het leger.
18Maar hij zei: Het is geen stem van het geroep van overwinning, het is ook geen stem van het geroep van nederlaag; ik hoor een stem van zingen bij beurte.
19En het gebeurde, als hij aan het leger naderde, en het kalf, en de reien zag, dat de toorn van Mozes ontstak, en dat hij de tafelen uit zijn handen wierp, en dezelfde beneden aan de berg verbrak.
20En hij nam dat kalf, dat zij gemaakt hadden, en verbrandde het in het vuur, en vermaalde het, totdat het klein werd, en strooide het op het water, en deed het de Israëlieten drinken.
21En Mozes zei tot Aäron: Wat heeft u dit volk gedaan, dat u zulk een grote zonde over hetzelfde gebracht hebt?
22Toen zei Aäron: De toorn van mijn heer ontsteke niet! u kent dit volk, dat het in de boze ligt.
23Zij dan zeiden tot mij: Maak ons goden, die voor ons aangezicht gaan, want deze Mozes, die man, die ons uit Egypteland opgevoerd heeft, wij weten niet, wat hem gebeurd zij.
24Toen zei ik tot hen: Wie goud heeft, die rukke het af, en geve het mij; en ik wierp het in het vuur, en dit kalf is er uit gekomen.
25Als Mozes zag, dat het volk ontbloot was, (want Aäron had het ontbloot tot verkleining onder degenen, die tegen hen hadden mogen opstaan),
26Zo bleef Mozes staan in de poort van de leger, en zei: Wie JAHWEH toebehoort, kome tot mij! Toen verzamelden zich tot hem al de zonen van Levi.
27En hij zei tot hen: Zo zegt JAHWEH, de God van Israël: Een ieder doe zijn zwaard aan zijn heup; ga door en keert weer, van poort tot poort in het leger, en ieder dode zijn broer, en elk zijn vriend, en elk zijn naaste!
28En de zonen van Levi deden naar het woord van Mozes; en er vielen van het volk, op die dag, drie duizend man.
29Want Mozes had gezegd: Vul vandaag uw handen JAHWEH; want elk zal zijn tegen zijn zoon, en tegen zijn broer; en dit, opdat Hij vandaag een zegen over u geve!
30En het gebeurde op de andere dag, dat Mozes tot het volk zei: U hebt een grote zonde gezondigd; maar nu, ik zal tot JAHWEH opklimmen; misschien zal ik een verzoening doen voor uw zonde.
31Zo keerde Mozes weer tot JAHWEH, en zei: Och, dit volk heeft een grote zonde gezondigd, dat zij zich gouden goden gemaakt hebben.
32Nu dan, als U hun zonden vergeven zult! maar zo niet, zo wis mij nu uit Uw boek, dat U geschreven hebt.
33Toen zei JAHWEH tot Mozes: Die zou Ik uit Mijn boek uitwissen, die aan Mij zondigt.
34Maar ga nu heen, leid dit volk, waarheen Ik u gezegd heb; zie, Mijn Engel zal voor uw aangezicht gaan! maar op de dag van Mijn bezoeking, zo zal Ik hun zonde over hen bezoeken!
35Zo plaagde JAHWEH dit volk, omdat zij dat kalf gemaakt hadden, dat Aäron gemaakt had.