Exodus 34
Lees Exodus 34 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
God beveelt Mozes twee stenen tafelen te houwen, waarin Hij Zijn wet opnieuw wilde schrijven, vers 1 enz. Met deze twee tafelen gaat Mozes de berg op, 4. De HEERE komt neer in een wolk en roept luid Zijn naam uit, 5. Mozes bidt de HEERE dat Hij met hen wil gaan, 8. wat Hij belooft, en Hij sluit een verbond met hen, en waarschuwt hen voor de afgoderij van de Kanaänieten en voor huwelijken met hen, 10. het gebod van het ongezuurde brood en van de eerstgeborenen wordt vernieuwd, alsook van de sabbat en andere feesten, 18. nog andere wetten, 26. nadat Mozes 40 dagen op de berg geweest was, komt hij neer met de twee tafelen, 28. zijn aangezicht glanst, wat hij bedekt, 29. hij maakt hun alles bekend wat de HEERE met hem gesproken had op de berg Sinaï, 32. Mozes had een bedekking op zijn aangezicht als hij met het volk sprak, 33.
1Toen zei JAHWEH tot Mozes: Houw u twee stenen tafelen, zoals de eerste waren, zo zal Ik op de tafelen schrijven dezelfde woorden, die op de eerste tafelen geweest zijn, die u gebroken hebt.
2En wees bereid tegen de morgenstond; dat u in de morgenstond op de berg Sinaï klimt, en stel u daar voor Mij, op de top van de berg.
3En niemand zal met u opklimmen; dat er ook niemand gezien worde op de hele berg; ook het kleine vee, noch runderen zullen tegenover deze berg niet weiden.
4Toen hieuw hij twee stenen tafelen, zoals de eerste; en Mozes stond 's morgens vroeg op, en klom op de berg Sinaï, zoals hem JAHWEH geboden had; en hij nam de twee stenen tafelen in zijn hand.
5JAHWEH nu kwam naar beneden in een wolk, en stelde Zich daar bij hem; en Hij riep uit de Naam van JAHWEH.
6Als nu JAHWEH voor zijn aangezicht voorbijging, zo riep Hij: JAHWEH, JAHWEH, God, barmhartig en genadig, geduldig en groot van goedertierenheid en waarheid.
7Die de goedertierenheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid, en overtreding, en zonde vergeeft; Die de schuldige in geen geval onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid van de vaders aan de kinderen, en aan de kleinkinderen, in het derde en vierde geslacht.
8Mozes nu haastte zich en neigde het hoofd ter aarde, en hij boog zich.
9En hij zei: Heere! als ik nu genade gevonden heb in Uw ogen, zo ga nu de Heere in het midden van ons, want dit is een hardnekkig volk; maar vergeef onze ongerechtigheid en onze zonde, en neem ons aan tot een erfdeel!
10Toen zei Hij: Zie, Ik maak een verbond; voor uw hele volk zal Ik wonderen doen, die niet geschapen zijn op de hele aarde, noch onder enige volken; zo dat dit hele volk, in wiens midden u bent, het werk van JAHWEH zien zal, dat het schrikkelijk is, dat Ik met u doe.
11Onderhoud u wat Ik u vandaag gebiede! zie, Ik zal voor uw aangezicht uitdrijven de Amorieten, en de Kanaänieten, en de Hethieten, en de Ferezieten, en de Hevieten, en de Jebusieten.
12Pas op dat u toch geen verbond maakt met de inwoner van het land, waarin u komen zult; dat hij misschien niet tot een strik wordt in het midden van u.
13Maar hun altaren zult u omwerpen, en hun opgerichte beelden zult u verbreken, en hun bossen zult u afhouwen.
14(Want u zult u niet buigen voor een andere god; want van JAHWEH Naam is IJveraar! een jaloers God is Hij!)
15Opdat u misschien geen verbond maakt met de inwoner van dat land; en zij hun goden niet nahoereren, noch hun goden offergave doen, en hij u nodigende, u van hun offergave etet.
16En u voor uw zonen vrouwen neemt van hun dochters; en hun dochters, haar goden nahoererende, maken, dat ook uw zonen haar goden nahoereren.
17U zult u geen gegoten goden maken.
18Het feest van de ongezuurde broden zult u houden; zeven dagen zult u ongezuurde broden eten, zoals Ik u geboden heb, ter gezetter tijd van de maand Abib; want in de maand Abib bent u uit Egypte uitgegaan.
19Al wat de baarmoeder opent, is van Mij; ja, al uw vee, dat mannelijk zal geboren worden, openende de baarmoeder van het grote en kleine vee.
20Maar de ezel, die de baarmoeder opent, zult u met een stuk klein vee lossen; maar als u hem niet zult lossen, zo zult u hem de nek breken. Al de eerstgeborenen van uw zonen zult u lossen, en men zal voor Mijn aangezicht niet leeg verschijnen.
21Zes dagen zult u arbeiden, maar op de zevende dag zult u rusten; in de ploegtijd en in de oogst zult u rusten.
22Het wekenfeest zult u ook houden, zijnde het feest van de eerstelingen van de tarweoogst, en het feest van de inzameling, als het jaar om is.
23Al wat mannelijk is onder u zal drie keer in het jaar verschijnen voor het aangezicht van de Heere JAHWEH, de God van Israël.
24Wanneer Ik de volken voor uw aangezicht uit de bezitting zal verdrijven, en uw gebied verruimen, dan zal niemand uw land begeren, terwijl u heen opgaan zult, om te verschijnen voor het aangezicht van JAHWEH van uw God, drie keer in het jaar.
25U zult het bloed van Mijn slachtoffer niet offeren met gedesemd brood; het slachtoffer van het paasfeest zal ook niet overnachten tot de morgen.
26De eerstelingen van de eerste vruchten van uw land zult u in het huis van JAHWEH van uw God brengen. U zult het bokje in de melk van zijn moeder niet koken.
27Verder zei JAHWEH tot Mozes: Schrijf u deze woorden; want naar luid van deze woorden heb Ik een verbond met u en met Israël gemaakt.
28En hij was daar met JAHWEH, veertig dagen en veertig nachten; hij at geen brood, en hij dronk geen water; en Hij schreef op de tafelen de woorden van het verbond, de tien woorden.
29En het gebeurde, toen Mozes van de berg Sinaï afging (de twee tafelen van het getuigenis nu waren in de hand van Mozes, als hij van de berg afging), zo wist Mozes niet, dat het huid van zijn aangezicht glinsterde, toen Hij met hem sprak.
30Als nu Aäron en al de Israëlieten Mozes aanzagen, ziet, zo glinsterde het huid van zijn aangezicht; daarom vreesden zij tot hem toe te treden.
31Toen riep Mozes hen; en Aäron, en al de oversten in de vergadering keerden weer tot hem; en Mozes sprak tot hen.
32En daarna traden al de Israëlieten toe; en hij gebood hun al wat JAHWEH met hem gesproken had op de berg Sinaï.
33Zo eindigde Mozes met hen te spreken, en hij had een deksel op zijn aangezicht gelegd.
34Maar als Mozes voor het aangezicht van JAHWEH kwam, om met Hem te spreken, zo nam hij het deksel af, totdat hij uitging; en nadat hij uitgegaan was, zo sprak hij tot de Israëlieten, wat hem geboden was.
35Zo zagen dan de Israëlieten het aangezicht van Mozes, dat het huid van het aangezicht van Mozes glinsterde; daarom deed Mozes het deksel weer op zijn aangezicht, totdat hij inging om met Hem te spreken.