Exodus 39
Lees Exodus 39 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
De ambtsklederen en de heilige klederen van de priesters worden gemaakt, vers 1 enz. De efod, 2. De borstlap, 8. met de twaalf stenen daarin, 10. de ketens en ringen daarvan, 15. de mantel van de efod, met granaatappels en schellen aan de zomen daarvan, 22. De rokken van fijn linnen, de muts en de gordel, enz. 27. Eveneens de plaat van de kroon, 30. Al het werk wordt voltooid, 32. en het wordt bij Mozes gebracht, 33. Toen Mozes zag dat het naar het bevel van God gemaakt was, heeft hij hen gezegend, 43.
1Zij maakten ook ambtsklederen, om in het heilige te dienen, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken; ook maakten zij de heilige kleren, die voor Aäron waren, zoals JAHWEH aan Mozes geboden had.
2Zo maakte hij de efod, van goud, hemelsblauw en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen.
3En zij rekten uit de dunne platen van goud, en sneden het tot draden, om te doen in het midden van het hemelsblauw, en in het midden van het purper, en in het midden van het scharlaken, en in het midden van het fijn linnen, van het allerkunstelijkste werk.
4Zij maakten samenvoegende schouderbanden daaraan; aan zijn beide einden werd hij samengevoegd.
5En de kunstige riem van zijn efod, die daarop was, was zoals zijn werk, van hetzelfde, van goud, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen, zoals JAHWEH aan Mozes bevolen had.
6Zij bereidden ook de sardonixstenen, omvat in gouden kastjes, als zegelgravering gegraveerd, met de namen van de zonen van Israël.
7En hij zette ze op de schouderbanden van de efod, tot stenen van de herinnering voor de Israëlieten, zoals JAHWEH aan Mozes geboden had.
8Hij maakte ook de borstlap van het allerkunstelijkste werk, zoals het werk van de efod, van goud, hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen.
9Hij was vierkant; zij maakten de borstlap dubbel; een span was zijn lengte, en een span was zijn breedte, dubbel zijnde.
10En zij vulden daarin vier rijen stenen: één rij van een Sardis, een Topaas en een Karbonkel; dit is de eerste rij.
11En de tweede rij van een Smaragd, een Saffier en een Diamant.
12En de derde rij van een Hyacint, Agaat, en Amethist.
13En de vierde rij van een Turkoois, en een Sardonix, en een Jaspis; omvat in gouden kastjes in hun vullingen.
14Deze stenen nu, met de namen van de zonen van Israël, waren twaalf, met hun namen, met zegelgravering; ieder met zijn naam, naar de twaalf stammen.
15Zij maakten ook aan de borstlap zoals-eindigende kettinkjes, van gedraaid werk, uit louter goud.
16En zij maakten twee gouden kastjes, en twee gouden ringen; en zij zetten die twee ringen aan de beide einden van de borstlap.
17En zij zetten de twee gedraaide gouden kettinkjes aan de twee ringen, aan de einden van de borstlap.
18Maar de twee andere einden van de twee gedraaide ketenen zetten zij aan de twee kastjes, en zij zetten ze aan de schouderbanden van de efod, recht op de voorste zijde van die.
19Zij maakten ook twee gouden ringen, die zij aan de twee andere einden van de borstlap zetten, inwendig aan zijn boord, die aan de zijde van de efod is.
20Nog maakten zij twee gouden ringen, die zij zetten aan de twee schouderbanden van de efod, beneden, aan zijn voorste zijde, tegenover zijn andere verbinding, boven de kunstige riem van de efod.
21En zij bonden de borstlap met zijn ringen aan de ringen van de efod, met een hemelsblauw snoer, dat hij op de kunstige riem van de efod was; opdat de borstlap van de efod niet afgescheiden werd, zoals JAHWEH aan Mozes geboden had.
22En hij maakte de mantel van de efod van geweven werk, geheel van hemelsblauw.
23En het gat van de mantel was in zijn midden, als het gat van een pantser; dit gat had een boord rondom, dat het niet gescheurd werd.
24En aan de zomen van de mantel maakten zij granaatappels van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, getweernd.
25Zij maakten ook belletjes van louter goud, en zij stelden de belletjes tussen de granaatappels, aan de zomen van de mantel rondom, tussen de granaatappels;
26Dat er een belletje, daarna een granaatappel was; opnieuw een belletje, en een granaatappel; aan de zomen van de mantel rondom; om te dienen, zoals JAHWEH aan Mozes geboden had.
27Zij maakten ook de onderkleding van fijn linnen, van geweven werk, voor Aäron en voor zijn zonen;
28En de tulband van fijn linnen, en de sierlijke hoofddoeken van fijn linnen, en de linnen onderbroeken van fijn getweernd linnen;
29En de gordel van fijn getweernd linnen, en van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, van geborduurd werk, zoals JAHWEH aan Mozes geboden had.
30Zij maakten ook de plaat van de kroon van de heiligheid van louter goud, en zij schreven daarop een schrift, met zegelgravering: De HEILIGHEID VAN JAHWEH.
31En zij hechtten een snoer van hemelsblauw daaraan, om aan de tulband van boven te hechten, zoals JAHWEH aan Mozes geboden had.
32Zo werd al het werk van de tabernakel, van de tent van de samenkomst voltooid; en de Israëlieten hadden het gemaakt naar alles, wat JAHWEH aan Mozes geboden had; zo hadden zij het gemaakt.
33Daarna brachten zij de tabernakel tot Mozes, de tent, en al haar gereedschap, haar haakjes, haar planken, haar richelen, en haar pilaren, en haar voetstukken;
34En het deksel van roodgeverfde ramsvellen, en het deksel van dassenvellen, en het voorhangsel van het deksel;
35De ark van het getuigenis, en haar handbomen, en het verzoendeksel;
36De tafel, met al haar gereedschap, en de toonbroden;
37De louteren kandelaar met zijn lampen, de lampen, die men toerichten moest, en al zijn gereedschap, en de olie tot het licht;
38Verder het gouden altaar, en de zalfolie, en het reukwerk van geurende specerijen, en het deksel van de deur van de tent.
39Het koperen altaar, en de koperen rooster, die het heeft, zijn handbomen, en al zijn gereedschap; het wasvat en zijn voet;
40De behangselen van de voorhof, zijn pilaren en zijn voetstukken, en het deksel van de poort van de voorhof, zijn touwen, en zijn pennen, en al het gereedschap van de dienst van de tabernakel, tot de tent van de samenkomst;
41De ambtsklederen, om in het heiligdom te dienen, de heilige kleren van de priester Aäron, en de kleren van zijn zonen, om het priesterambt te bedienen.
42Naar alles, wat JAHWEH aan Mozes geboden had, zo hadden de Israëlieten het hele werk gemaakt.
43Mozes nu bezag het hele werk, en ziet, zij hadden het gemaakt, zoals JAHWEH geboden had; zo hadden zij het gemaakt. Toen zegende Mozes hen.