BijbelExodus

Exodus 4

Lees Exodus 4 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Mozes wordt gesterkt door het veranderen van zijn staf in een slang, vers 1 enz. en door de melaatsheid van zijn hand, 6. Ook door het veranderen van het water in bloed, 9. Mozes maakt bezwaar om naar Farao te gaan, 10. Daarover vertoornt God Zich, en geeft hem Aäron tot zijn woordvoerder, 14. Jethro geeft Mozes verlof om naar Egypte te gaan, 18. De HEERE zegt Mozes wat hij zou doen en spreken tot Farao, 21. De HEERE wilde Mozes onderweg doden, 24. Zippora besnijdt haar zoon, 25. God zendt Aäron Mozes tegemoet, 27. Zij beiden maken de Israëlieten hun opdracht bekend, 29. en worden geloofd, 31.

1Toen antwoordde Mozes, en zei: Maar zie, zij zullen mij niet geloven, noch mijn stem horen; want zij zullen zeggen: JAHWEH is u niet verschenen!

2En JAHWEH zei tot hem: Wat is er in uw hand? En hij zei: Een staf.

3En Hij zei: Werp hem ter aarde. En hij wierp hem ter aarde! Toen werd hij tot een slang; en Mozes vluchtte van haar.

4Toen zei JAHWEH tot Mozes: Strek uw hand uit, en grijp haar bij haar staart! Toen strekte hij zijn hand uit, en vatte haar, en zij werd tot een staf in zijn hand.

5Opdat zij geloven, dat u verschenen is JAHWEH, de God van hun vaders, de God van Abraham, de God van Izak, en de God van Jakob.

6En JAHWEH zei verder tot hem: Steek nu uw hand in uw boezem. En hij stak zijn hand in zijn boezem; daarna trok hij ze uit, en ziet, zijn hand was melaats, wit als sneeuw.

7En Hij zei: Steek uw hand opnieuw in uw boezem. En hij stak zijn hand opnieuw in zijn boezem; daarna trok hij ze uit zijn boezem, en ziet, zij was weer als zijn ander vlees.

8En het zal gebeuren, zo zij u niet geloven, noch naar de stem van het eerste teken horen, zo zullen zij de stem van het laatste teken geloven.

9En het zal gebeuren, zo zij ook deze twee tekenen niet geloven, noch naar uw stem horen, zo neem van de wateren van de rivier, en giet ze op het droge; zo zullen de wateren, die u uit de rivier zult nemen, die zullen tot bloed worden op het droge.

10Toen zei Mozes tot JAHWEH: Och Heere! ik ben niet goed in spreken, noch van gisteren, noch van eergisteren, noch van toen af, toen U tot Uw knecht gesproken hebt; want ik ben zwaar van mond, en zwaar van tong.

11En JAHWEH zei tot hem: Wie heeft de mens de mond gemaakt, of wie heeft de stomme, of dove, of ziende, of blinde gemaakt? Ben Ik het niet, JAHWEH?

12En nu ga heen, en Ik zal met uw mond zijn, en zal u leren, wat u spreken zult.

13Maar hij zei: Och, Heere! zend toch door de hand van degene, die U zou zenden.

14Toen ontstak de toorn van JAHWEH over Mozes, en Hij zei: is niet Aäron, de Leviet, uw broer? Ik weet, dat hij zeer wel spreken zal, en ook, zie, hij zal uitgaan u tegemoet; wanneer hij u ziet, zo zal hij in zijn hart verblijd zijn.

15U dan zult tot hem spreken, en de woorden in zijn mond leggen; en Ik zal met uw mond, en met zijn mond zijn; en Ik zal u leren, wat u doen zult.

16En hij zal voor u tot het volk spreken; en het zal gebeuren, dat hij u tot een mond zal zijn, en u zult hem tot een god zijn.

17Neem dan deze staf in uw hand, waarmee u die tekenen doen zult.

18Toen ging Mozes heen, en keerde weer tot Jethro, zijn schoonvader, en zei tot hem: Laat mij toch gaan, dat ik wederkere tot mijn broers, die in Egypte zijn, en zie, of zij nog leven. Jethro dan zei tot Mozes: Ga in vrede!

19Ook zei JAHWEH tot Mozes in Midian: Ga heen, keer weer in Egypte, want al de mannen zijn dood, die uw ziel zochten.

20Mozes dan nam zijn vrouw, en zijn zonen, en voerde hen op een ezel, en keerde weer in Egypteland; en Mozes nam de staf Gods in zijn hand.

21En JAHWEH zei tot Mozes: Terwijl u heentrekt, om weer in Egypte te keren, zie toe, dat u al de wonderen doet voor Farao, die Ik in uw hand gesteld heb; maar Ik zal zijn hart verstokken, dat hij het volk niet zal laten gaan.

22Dan zult u tot Farao zeggen: Zo zegt JAHWEH: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israël.

23En Ik heb tot u gezegd: Laat Mijn zoon trekken, dat hij Mij zal dienen! maar u hebt geweigerd hem te laten trekken; zie, Ik zal uw zoon, uw eerstgeborene doden!

24En het gebeurde op de weg, in de herberg, dat JAHWEH hem tegenkwam, en zocht hem te doden.

25Toen nam Zippora een stenen mes en besneed de voorhuid van haar zoon, en wierp die voor zijn voeten, en zei: Werkelijk, u bent mij een bloedbruidegom!

26En Hij liet van hem af. Toen zei zij: Bloedbruidegom! vanwege de besnijdenis.

27JAHWEH zei ook tot Aäron: Ga Mozes tegemoet in de woestijn. En hij ging, en ontmoette hem aan de berg van God, en hij kuste hem.

28En Mozes gaf Aäron te kennen al de woorden van JAHWEH, Die hem gezonden had, en al de tekenen, die Hij hem bevolen had.

29Toen ging Mozes en Aäron, en zij verzamelden al de oudsten van de Israëlieten.

30En Aäron sprak al de woorden, die JAHWEH tot Mozes gesproken had; en hij deed de tekenen voor de ogen van het volk.

31En het volk geloofde, en zij hoorden, dat JAHWEH de Israëlieten bezocht, en dat Hij hun verdrukking zag, en zij neigden hun hoofden, en aanbaden.