Exodus 5
Lees Exodus 5 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Mozes en Aäron maken Farao bekend wat God hun te zeggen geboden had, vers 1 enz. hij weerstaat hen en bekijft hen, 4. De lasten van de Israëlieten worden verzwaard, 5. Zij morren tegen Mozes en Aäron, 20. Mozes klaagt het God, 22. God belooft hen te verlossen, 24.
1En daarna gingen Mozes en Aäron heen, en zeiden tot Farao: Zo zegt JAHWEH, de God van Israël: Laat Mijn volk trekken, dat het Mij een feest houde in de woestijn!
2Maar Farao zei: Wie is JAHWEH, Wiens stem ik gehoorzamen zou, om Israël te laten trekken? Ik ken JAHWEH niet, en ik zal ook Israël niet laten trekken.
3Zij dan zeiden: De God van de Hebreën is ons ontmoet; zo laat ons toch heentrekken, de weg van drie dagen in de woestijn, en JAHWEH, onze God, offeren, dat Hij ons niet overkome met pest, of met het zwaard.
4Toen zei de koning van Egypte tot hen: U, Mozes en Aäron! waarom trekt u het volk af van hun werken? Ga heen tot uw dwangarbeid.
5Verder zei Farao: Zie, het volk van het land is alreeds te veel; en zou u hen doen rusten van hun dwangarbeid?
6Daarom beval Farao, op diezelfde dag, aan de aandrijvers onder het volk, en zijn voormannen, zeggende:
7U zult voortaan deze mensen geen stro meer geven, tot het maken van de bakstenen, als gisteren en eergisteren; laat hen zelf heengaan, en stro voor zichzelf verzamelen.
8En het getal van de bakstenen, die zij gisteren en eergisteren gemaakt hebben, zult u hun opleggen; u zult daarvan niet verminderen; want zij gaan leeg; daarom roepen zij, zeggende: Laat ons gaan, laat ons onze God offeren!
9Men verzware de dienst over deze mannen, dat zij daaraan te doen hebben, en zich niet vergapen aan leugenachtige woorden.
10Toen gingen de aandrijvers van het volk uit, en zijn voormannen, en spraken tot het volk, zeggende: Zo zegt Farao: Ik zal u geen stro geven.
11Ga u zelf heen, haalt u stro, waar u het vindt; maar van uw dienst zal niet verminderd worden.
12Toen verstrooide zich het volk in het hele land van Egypte, dat het stoppelen verzamelde, voor stro.
13En de aandrijvers drongen aan, zeggende: Voltooit uw werken, elk dagwerk op zijn dag, zoals toen er stro was.
14En de voormannen van de Israëlieten, die Farao's aandrijvers over hen gesteld hadden, werden geslagen, en men zei: Waarom hebt u uw vastgestelde werk niet voltooid, in het maken van de bakstenen, zoals te voren, zo ook gisteren en vandaag?
15Daarom gingen de voormannen van de Israëlieten, en schreeuwden tot Farao, zeggende: Waarom doet u uw knechten zo?
16Aan uw knechten wordt geen stro gegeven, en zij zeggen tot ons: Maak de bakstenen; en ziet, uw knechten worden geslagen, maar de schuld is van uw volk!
17Hij dan zei: U gaat leeg, leeg gaat u; daarom zegt u: Laat ons gaan, laat ons JAHWEH offeren!
18Zo gaat nu heen, arbeidt; maar stro zal u niet gegeven worden; evenwel zult u het getal van de bakstenen leveren.
19Toen zagen de voormannen van de Israëlieten, dat het kwalijk met hen stond, omdat men zei: U zult niet minderen van uw bakstenen, van het dagwerk op zijn dag.
20En zij ontmoetten Mozes en Aäron, die tegen hen over stonden, toen zij van Farao uitgingen.
21En zeiden tot hen: JAHWEH zie op u, en richte het, omdat u ons in kwade reuk hebt gebracht voor Farao, en voor zijn knechten, gevende een zwaard in hun handen, om ons te doden.
22Toen keerde Mozes weer tot JAHWEH, en zei: Heere! waarom hebt U dit volk kwaad gedaan, waarom hebt U mij nu gezonden?
23Want van toen af, dat ik tot Farao ben ingegaan, om in Uw naam te spreken, heeft hij dit volk kwaad gedaan; en U hebt Uw volk in geen geval verlost.
24Toen zei JAHWEH tot Mozes: Nu zult u zien, wat Ik aan Farao doen zal; want door een machtige hand zal hij hen laten trekken, ja, door een machtige hand zal hij hen uit zijn land drijven.