Exodus 6
Lees Exodus 6 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
God sterkt Mozes door het noemen van Zijn naam en van Zijn verbond dat met de vaderen opgericht is, vers 1 enz. God belooft dat Hij Zijn volk verlossen zal, 7. Maar zij luisteren niet naar Mozes, 9. God zendt Mozes opnieuw tot Farao, waartoe hij onwillig is, 10. Het geslachtsregister van Ruben, 14. Van Simeon, 15. Van Levi, 16. En van zijn kinderen, tot Aäron en Mozes toe, 17. en van anderen, 21. Het huwelijk en de kinderen van Aäron, 22. en kindskinderen, 23. De zending van Aäron en Mozes naar Farao wordt opnieuw verhaald, 25. alsook de onwilligheid van Mozes, 29.
1Verder sprak God tot Mozes, en zei tot hem: Ik ben JAHWEH,
2En Ik ben aan Abraham, Izak, en Jakob verschenen, als El Shaddai; maar met Mijn Naam JAHWEH ben Ik hun niet bekend geweest.
3En ook heb Ik Mijn verbond met hen opgericht, dat Ik hun geven zou het land Kanaän, het land waar zij vreemdeling waren, waarin zij vreemdelingen geweest zijn.
4En ook heb Ik gehoord het gekerm van de Israëlieten, die de Egyptenaars in dienstbaarheid houden, en Ik heb aan Mijn verbond gedacht.
5Daarom zeg tot de Israëlieten: Ik ben JAHWEH! en Ik zal u uitleiden van onder de dwangarbeid van de Egyptenaren, en Ik zal u redden uit hun dienstbaarheid, en zal u verlossen door een uitgestrekten arm, en door grote gerichten;
6En Ik zal u tot Mijn volk aannemen, en Ik zal u tot een God zijn; en u zult bekennen, dat Ik JAHWEH uw God ben, Die u uitleide van onder de dwangarbeid van de Egyptenaren.
7En Ik zal u brengen in dat land, waarover Ik Mijn hand opgeheven heb, dat Ik het aan Abraham, Izak, en Jakob geven zou; en Ik zal het u geven tot een erfdeel, Ik, JAHWEH!
8En Mozes sprak zo tot de Israëlieten; maar zij hoorden naar Mozes niet, vanwege de benauwdheid van de geest, en vanwege de harde dienstbaarheid.
9Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende:
10Ga heen, spreek tot Farao, de koning van Egypte, dat hij de Israëlieten uit zijn land trekken late.
11Maar Mozes sprak voor JAHWEH, zeggende: Zie, de Israëlieten hebben naar mij niet gehoord; hoe zou mij dan Farao horen? daartoe ben ik onbesneden van lippen.
12Evenwel sprak JAHWEH tot Mozes en tot Aäron, en gaf hun bevel aan de Israëlieten, en aan Farao, de koning van Egypte, om de Israëlieten uit Egypteland te leiden.
13Dit zijn de hoofden van ieder huis van hun vaders: de zonen van Ruben, de eerstgeborene van Israël, zijn Hanoch en Pallu, Hezron en Charmi; dit zijn de huisgezinnen van Ruben.
14En de zonen van Simeon: Jemuël, en Jamin, en Ohad, en Jachin, en Zohar, en Saul, de zoon van een Kanaänietische; dit zijn de huisgezinnen van Simeon.
15Dit nu zijn de namen van de zonen van Levi, naar hun afstamming: Gerson, en Kehath, en Merari. En de jaren van het leven van Levi waren honderd zeven en dertig jaren.
16De zonen van Gerson: Libni en Simeï, naar hun huisgezinnen.
17En de zonen van Kehath: Amram, en Jizhar, en Hebron, en Uzziël, en de jaren van het leven van Kehath waren honderd drie en dertig jaren.
18En de zonen van Merari: Machli en Musi; dit zijn de huisgezinnen van Levi, naar hun afstamming.
19En Amram nam Jochebed, zijn tante, zich tot een huisvrouw, en zij baarde hem Aäron en Mozes; en de jaren van het leven van Amram waren honderd zeven en dertig jaren.
20En de zonen van Jizhar: Korah, en Nefeg, en Zichri.
21En de zonen van Uzziël: Misael, en Elzafan, en Sithri.
22En Aäron nam zich tot een vrouw Eliseba, dochter van Amminadab, zus van Nahesson; en zij baarde hem Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar.
23En de zonen van Korah waren: Assir, en Elkana, en Abiasaf; dat zijn de huisgezinnen van de Korachieten.
24En Eleazar, de zoon van Aäron, nam voor zich één van de dochters van Putiel tot een vrouw; en zij baarde hem Pinehas. Dit zijn de familiehoofden van de Levieten, naar hun huisgezinnen.
25Dit is Aäron en Mozes, tot wie JAHWEH zei: Leid de Israëlieten uit Egypteland, naar hun legers.
26Deze zijn het, die tot Farao, de koning van Egypte, spraken, opdat zij de Israëlieten uit Egypte leidden; dit is Mozes en Aäron.
27En het gebeurde op die dag, als JAHWEH tot Mozes sprak in Egypteland;
28Zo sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende: Ik ben JAHWEH! spreek tot Farao, de koning van Egypte, alles, wat Ik tot u spreek.
29Toen zei Mozes voor het aangezicht van JAHWEH: Zie, ik ben onbesneden van lippen; hoe zal dan Farao naar mij horen?