Exodus 7
Lees Exodus 7 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Mozes en Aäron worden door God gesterkt om naar Farao te gaan, vers 1 enz. wiens hart verhard wordt, 3. De ouderdom van Mozes en Aäron toen zij naar Farao gezonden werden, 7. De staf van Aäron wordt in een draak veranderd, 10. de tovenaars doen dergelijke dingen, 11. Farao blijft verhard, 14. Mozes wordt opnieuw tot hem gezonden, 15. De wateren van Egypte worden in bloed veranderd, 19. waardoor de vissen sterven, 21. De tovenaars doen dergelijke dingen, 22.
1Toen zei JAHWEH tot Mozes: Zie, Ik heb u tot een God gezet over Farao; en Aäron, uw broer, zal uw profeet zijn.
2U zult spreken alles, wat Ik u gebieden zal; en Aäron, uw broer, zal tot Farao spreken, dat hij de Israëlieten uit zijn land trekken laat.
3Maar Ik zal Farao's hart verharden; en Ik zal Mijn tekenen en Mijn wonderen in Egypteland vermenigvuldigen.
4Farao nu zal naar u niet horen, en Ik zal Mijn hand aan Egypte leggen, en voeren Mijn legers, Mijn volk, de Israëlieten, uit Egypteland, door grote gerichten.
5Dan zullen de Egyptenaars weten, dat Ik JAHWEH ben, wanneer Ik Mijn hand over Egypte uitstrekke, en de Israëlieten uit het midden van hen uitleide.
6Toen deed Mozes en Aäron, als hun JAHWEH geboden had, zo deden zij.
7En Mozes was tachtig jaar oud, en Aäron was drie en tachtig jaar oud, toen zij tot Farao spraken.
8En JAHWEH sprak tot Mozes en tot Aäron, zeggende:
9Wanneer Farao tot u spreken zal, zeggende: Doe een wonderteken voor u; zo zult u tot Aäron zeggen: Neem uw staf, en werp hem voor Farao's aangezicht neer; hij zal tot een draak worden.
10Toen ging Mozes en Aäron tot Farao heen in, en deden zo, zoals JAHWEH geboden had; en Aäron wierp zijn staf neer voor Farao's aangezicht, en voor het aangezicht van zijn knechten; en hij werd tot een draak.
11Farao nu riep ook de wijzen en de bezweerders; en de Egyptische tovenaars deden ook zo met hun bezweringen.
12Want ieder wierp zijn staf neer, en zij werden tot draken; maar Aärons staf verslond hun staven.
13Maar Farao's hart verstokte, zodat hij naar hen niet hoorde, zoals JAHWEH gesproken had.
14Toen zei JAHWEH tot Mozes: Farao's hart is zwaar; hij weigert het volk te laten trekken.
15Ga heen tot Farao in de morgenstond; zie, hij zal uitgaan naar het water toe, zo stel u tegen hem over aan de oever van de rivier, en de staf, die in een slang is veranderd geweest, zult u in uw hand nemen.
16En u zult tot hem zeggen: JAHWEH, de God van de Hebreën, heeft mij tot u gezonden, zeggende: Laat Mijn volk trekken, dat het Mij zal dienen in de woestijn; maar zie, u hebt tot nu toe niet gehoord.
17Zo zegt JAHWEH: Daaraan zult u weten, dat Ik JAHWEH ben; zie, ik zal met deze staf, die in mijn hand is, op het water, dat in deze rivier is, slaan, en het zal in bloed veranderd worden.
18En de vis in de rivier zal sterven, zodat de rivier zal stinken; en de Egyptenaars zullen vermoeid worden, dat zij het water uit de rivier drinken mogen.
19Verder zei JAHWEH tot Mozes: zeg tot Aäron: Neem uw staf, en steek uw hand uit over de wateren van de Egyptenaren, over hun stromen, over hun rivieren, en over hun poelen, en over alle vergadering van hun wateren, dat zij bloed worden; en er zij bloed in het hele Egypteland, zowel in houten als in stenen voorwerpen.
20Mozes nu en Aäron deden zo, zoals JAHWEH geboden had; en hij hief de staf op, en sloeg het water, dat in de rivier was, voor de ogen van Farao, en voor de ogen van zijn knechten; en al het water in de rivier werd in bloed veranderd.
21En de vis, die in de rivier was, stierf; en de rivier stonk, zodat de Egyptenaars het water uit de rivier niet drinken konden; en er was bloed in het hele Egypteland.
22Maar de Egyptische tovenaars deden ook zo met hun bezweringen; zodat Farao's hart verstokte, en hij hoorde naar hen niet, zoals JAHWEH gesproken had.
23En Farao keerde zich om, en ging naar zijn huis; en hij zette zijn hart daar ook niet op.
24Maar alle Egyptenaars groeven rondom de rivier, om water te drinken; want zij konden van het water van de rivier niet drinken.
25Zo werden zeven dagen vervuld, nadat JAHWEH de rivier geslagen had.