BijbelExodus

Exodus 8

Lees Exodus 8 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

God dreigt Farao met kikvorsen te plagen, indien hij Israël niet wil laten trekken, vers 1 enz. Aäron strekt zijn hand uit, en er komen kikvorsen over het hele land Egypte, 5. De tovenaars doen dergelijke dingen, 7. Farao roept Mozes en Aäron, en belooft, als de HEERE de kikvorsen van hem wegneemt, dat hij Israël wil laten trekken, 8. Maar hij houdt zijn belofte niet, 15. De derde plaag komt over Egypte, het stof wordt in luizen veranderd, 16. De tovenaars kunnen dit niet doen, 18. Doch Farao blijft verhard, 19. De vierde plaag komt, namelijk een vermenging van allerlei ongedierte, 21. Israël is hiervan vrij in Gosen, 22. Farao schijnt het volk te willen laten gaan, 25. Mozes bidt God, en Hij neemt dit ongedierte weg, 29. Farao blijft verhard, 32.

1Daarna zei JAHWEH tot Mozes: Ga in tot Farao, en zeg tot hem: Zo zegt JAHWEH: Laat Mijn volk trekken, dat zij Mij dienen.

2En als u het weigert te laten trekken, zie, zo zal ik uw hele gebied met kikkers slaan;

3Dat de rivier van kikkers zal krioelen, die zullen opkomen, en in uw huis komen, en in uw slaapkamer, ja, op uw bed; ook in de huizen van uw knechten, en op uw volk, en in uw bakovens, en in uw baktroggen.

4En de kikkers zullen opkomen, op u, en op uw volk, en op al uw knechten.

5Verder zei JAHWEH tot Mozes: Zeg tot Aäron: Strek uw hand uit met uw staf, over de stromen, en over de rivieren, en over de poelen; en doe kikkers opkomen over Egypteland.

6En Aäron strekte zijn hand uit over de wateren van Egypte, en er kwamen kikkers op en bedekten Egypteland.

7Toen deden de tovenaars ook zo, met hun bezweringen; en zij deden kikkers over Egypteland opkomen.

8En Farao riep Mozes en Aäron, en zei: Bid vurig tot JAHWEH, dat Hij de kikkers van mij en van mijn volk wegneme; zo zal ik het volk trekken laten, dat zij JAHWEH offeren.

9Maar Mozes zei tot Farao: Heb de eer boven mij! Tegen wanneer zal ik voor u, en voor uw knechten, en voor uw volk, vurig bidden, om deze kikkers van u en van uw huizen te vernietigen, dat zij alleen in de rivier overblijven?

10Hij dan zei: Tegen morgen. En hij zei: Het zij naar uw woord, opdat u weet, dat er niemand is, zoals JAHWEH, onze God.

11Zo zullen de kikkers van u, en van uw huizen, en van uw knechten, en van uw volk wijken; zij zullen alleen in de rivier overblijven.

12Toen ging Mozes en Aäron uit van Farao; en Mozes riep tot JAHWEH, vanwege de kikkers, die Hij Farao had opgelegd.

13En JAHWEH deed naar het woord van Mozes; en de kikkers stierven, uit de huizen, uit de voorzalen, en uit de velden.

14En zij verzamelden ze samen bij hopen, en het land stonk.

15Toen nu Farao zag, dat er verademing was, verzwaarde hij zijn hart, dat hij naar hen niet hoorde, zoals JAHWEH gesproken had.

16Verder zei JAHWEH tot Mozes: Zeg tot Aäron: Strek uw staf uit, en sla het stof van de aarde, dat het tot luizen worde, in het hele Egypteland.

17En zij deden zo; want Aäron strekte zijn hand uit met zijn staf, en sloeg het stof van de aarde, en er werden vele luizen aan de mensen, en aan het vee; al het stof van de aarde werd luizen, in het hele Egypteland.

18De tovenaars deden ook zo met hun bezweringen, opdat zij luizen voortbrachten; maar zij konden niet; zo waren de luizen aan de mensen, en aan het vee.

19Toen zeiden de tovenaars tot Farao: Dit is Gods vinger! Maar Farao's hart verstijfde, zodat hij naar hen niet hoorde, zoals JAHWEH gesproken had.

20Verder zei JAHWEH tot Mozes: Maak u morgen vroeg op, en stel u voor Farao's aangezicht; zie, hij zal aan het water uitgaan, en zeg tot hem: Zo zegt JAHWEH: Laat Mijn volk trekken, dat zij Mij dienen;

21Want zo u Mijn volk niet laat trekken, zie, zo zal Ik een vermenging van ongedierte zenden op u, en op uw knechten, en op uw volk, en in uw huizen; zo dat de huizen van de Egyptenaren met deze vermenging zullen vervuld worden, en ook het aarde, waarop zij zijn.

22En Ik zal op die dag het land Gosen, waarin Mijn volk woont, afzonderen, dat daar geen vermenging van ongedierte zij, opdat u weet, dat Ik, JAHWEH, in het midden van dit land ben.

23En Ik zal een verlossing zetten tussen Mijn volk en tussen uw volk; tegen morgen zal dit teken gebeuren!

24En JAHWEH deed zo; en er kwam een zware vermenging van ongedierte in het huis van Farao, en in de huizen van zijn knechten, en over het hele Egypteland; het land werd verdorven van deze vermenging.

25Toen riep Farao Mozes en Aäron, en zei: Ga heen, en offert uw God in dit land.

26Mozes dan zei: Het is niet recht, dat men zo doe; want wij zouden van de Egyptenaren gruwel JAHWEH, onze God, mogen offeren; zie, als wij van de Egyptenaren gruwel voor hun ogen offerden, zouden zij ons niet stenigen?

27Laat ons de weg van drie dagen in de woestijn gaan, dat wij JAHWEH onze God offeren, zoals Hij tot ons zeggen zal.

28Toen zei Farao: Ik zal u trekken laten, dat u JAHWEH, uw God, offert in de woestijn; alleen, dat u in het gaan in geen geval te verre trekt! Bid vurig voor mij.

29Mozes nu zei: Zie, ik ga van u, en zal tot JAHWEH vurig bidden, dat deze vermenging van ongedierte van Farao, van zijn knechten, en van zijn volk morgen wegwijke! Alleen, dat Farao niet meer bedrieglijk handele, dit volk niet latende gaan, om JAHWEH te offeren.

30Toen ging Mozes uit van Farao, en bad vurig tot JAHWEH.

31En JAHWEH deed naar het woord van Mozes, en de vermenging van ongedierte week van Farao, van zijn knechten, en van zijn volk; er bleef niet één over.

32Maar Farao verzwaarde zijn hart ook op ditmaal, en hij liet het volk niet trekken.