Exodus 9
Lees Exodus 9 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
God dreigt het vee van de Egyptenaren te slaan door een zware pest, wat de vijfde plaag is, 1 enz. Doch Hij spaart de Israëlieten, 4. Farao blijft verhard, 7. De zesde plaag, namelijk zweren over mensen en dieren, 8. zodat de tovenaars niet voor Mozes konden staan, 11. Toch blijft Farao verhard, 12. God dreigt hem nog zwaarder te plagen, 13. De zevende plaag, namelijk hagel en vuur, 18. Alleen het land Gosen wordt gespaard, 26. Farao erkent zijn zonde, en Mozes bidt voor hem, 27. De plaag houdt op, 33. Farao blijft verhard, 34.
1Daarna zei JAHWEH tot Mozes: Ga in tot Farao, en spreek tot hem: Zo zegt JAHWEH, de God van de Hebreën: Laat Mijn volk trekken, dat het Mij zal dienen.
2Want zo u hen weigert te laten trekken, en u hen nog met geweld ophoudt,
3Zie, de hand van JAHWEH zal zijn over uw vee, dat in het veld is, over de paarden, over de ezels, over de kamelen, over de runderen, en over het klein vee, door een zeer zware pest.
4En JAHWEH zal een afzondering maken tussen het vee van de Israëlieten, en tussen het vee van de Egyptenaren, dat er niets sterve van al wat van de Israëlieten is.
5En JAHWEH bestemde een zekere tijd, zeggende: Morgen zal JAHWEH deze zaak in dit land doen.
6En JAHWEH deed deze zaak op de andere dag; en al het vee van de Egyptenaren stierf; maar van het vee van de Israëlieten stierf niet één.
7En Farao zond er heen, en ziet, van het vee van Israël was er niet één gestorven. Maar het hart van Farao werd verzwaard, en hij liet het volk niet trekken.
8Toen zei JAHWEH tot Mozes en tot Aäron: Neem u uw vuisten vol as uit de oven; en Mozes strooie die naar de hemel voor de ogen van Farao.
9En zij zal tot klein stof worden over het hele Egypteland; en zij zal aan de mensen, en aan het vee worden tot zweren, uitbrekende met blaren, in het hele Egypteland.
10En zij namen as uit de oven, en stonden voor Farao's aangezicht; en Mozes strooide die naar de hemel; toen werden er zweren, uitbrekende met blaren, aan de mensen en aan het vee;
11Zo dat de tovenaars voor Mozes niet staan konden, vanwege de zweren; want aan de tovenaars waren zweren, en aan al de Egyptenaren.
12Maar JAHWEH verstokte Farao's hart, dat hij naar hen niet hoorde, zoals JAHWEH tot Mozes gesproken had.
13Toen zei JAHWEH tot Mozes: Maak u morgen vroeg op, en stel u voor Farao's aangezicht, en zeg tot hem: Zo zegt JAHWEH, de God van de Hebreën: Laat Mijn volk trekken, dat zij Mij dienen.
14Want ditmaal zal Ik al Mijn plagen in uw hart zenden, en over uw knechten, en over uw volk, opdat u weet, dat er niemand is zoals Ik, op de hele aarde.
15Want nu heb Ik Mijn hand uitgestrekt, opdat Ik u en uw volk met de pest zou slaan, en dat u van de aarde zou vernietigd worden.
16Maar werkelijk, daarom heb Ik u verwekt, opdat Ik Mijn kracht aan u betoonde, en opdat men Mijn Naam vertelle op de hele aarde.
17Verheft u uzelf nog tegen Mijn volk, dat u het niet wilt laten trekken?
18Zie, Ik zal morgen ongeveer deze tijd een zeer zwaren hagel doen regenen, evenzo in Egypte niet geweest is van die dag af, dat het gegrond is, tot nu toe.
19En nu, zend heen, vergader uw vee, en alles wat u op het veld hebt; alle mens en gedierte, dat op het veld gevonden zal worden, en niet in huis verzameld zal zijn, als deze hagel op hen vallen zal, zo zullen zij sterven.
20Wie onder Farao's knechten het woord van JAHWEH vreesde, die deed zijn knechten en zijn vee in de huizen vluchten;
21Maar die zijn hart niet zette tot het woord van JAHWEH, die liet zijn knechten en zijn vee op het veld.
22Toen zei JAHWEH tot Mozes: Strek uw hand uit naar de hemel, en er zal hagel zijn in het hele Egypteland; over de mensen, en over het vee, en over al het kruid van het veld in Egypteland.
23Toen strekte Mozes zijn staf naar de hemel; en JAHWEH gaf donder en hagel, en het vuur schoot naar de aarde; en JAHWEH liet hagel regenen over Egypteland.
24En er was hagel, en vuur in het midden van de hagel vervangen; hij was zeer zwaar; evenzo is in het hele Egypteland nooit geweest, sinds het tot een volk geweest is.
25En de hagel sloeg, in het hele Egypteland, alles wat op het veld was, van de mensen af tot de beesten toe; ook sloeg de hagel al het kruid van het veld, en verbrak al het geboomte van het veld.
26Alleen in het land Gosen, waar de Israëlieten waren, daar was geen hagel.
27Toen stelde op Farao heen, en hij riep Mozes en Aäron, en zei tot hen: Ik heb mij ditmaal verzondigd; JAHWEH is rechtvaardig; ik daarentegen en mijn volk zijn goddelozen!
28Bid vurig tot JAHWEH (want het is genoeg), dat geen donder Gods noch hagel meer zij; dan zal ik u trekken laten, en u zult niet langer blijven.
29Toen zei Mozes tot hem: Wanneer ik ter stad uitgegaan zal zijn, zo zal ik mijn handen uitbreiden voor JAHWEH; de donder zal ophouden, en de hagel zal niet meer zijn; opdat u weet, dat de aarde van JAHWEH is!
30Toch u en uw knechten aangaande, weet ik, dat u voor het aangezicht van God JAHWEH nog niet vrezen zult.
31Het vlas nu, en de gerst werd geslagen; want de gerst was in de aar, en het vlas was in de halm.
32Maar de tarwe en de spelt werden niet geslagen; want zij waren bedekt.
33Zo ging Mozes van Farao ter stad uit, en breidde zijn handen tot JAHWEH; de donder en de hagel hielden op, en de regen werd niet meer uitgegoten op de aarde.
34Toen Farao zag, dat de regen en hagel, en de donder ophielden, zo verzondigde hij zich verder, en hij verzwaarde zijn hart, hij en zijn knechten.
35Zo werd Farao's hart verstokt, dat hij de Israëlieten niet trekken liet, zoals JAHWEH gesproken had door Mozes.