Bijbel

Ezechiël

Oude Testament · 48 hoofdstukken · vrij van rechten (CC0)

Inleiding

Hoewel de HEERE koning Jechonja (of Jojachin) met vele Joden, onder wie ook Ezechiël, gevankelijk naar Babel had laten wegvoeren, heeft hij hen daarmee toch niet geheel verlaten. Maar om te tonen dat hij zijn kerk ook onder hen, zelfs in Babel, wilde behouden en daarna genadig wilde verlossen en herstellen, heeft hij tot hun dienst deze voortreffelijke profeet verwekt. Door hem heeft hij aan deze gevangenen in Babel, in verschillende visioenen, profetieën en prediking, hetzelfde voorgesteld dat hij door de profeet Jeremia dagelijks liet voordragen aan hun broeders, die in het land en te Jeruzalem onder koning Zedekia waren gebleven. Toch werd bij beide groepen (zowel die te Jeruzalem als die in Babel) dezelfde ongelovigheid en hardnekkige onboetvaardigheid gevonden. In Jeruzalem geloofden zij de profeet Jeremia niet, maar zij spotten met hen die aan de koning van Babel waren overgegeven en gevankelijk weggevoerd, in de mening dat zij nu alleen erfgenamen van het land zouden zijn en dat hun weggevoerde broeders daarvan verstoken zouden blijven. In Babel geloofden zij de profeet Ezechiël niet, maar zij morden tegen God en hielden zich veel ongelukkiger dan hun broeders die in het land waren gebleven, aan wie God nochtans, zowel door Ezechiël als door Jeremia, veel zwaardere plagen voorzegde, naast de uiterste ondergang van de stad, de tempel en het land. Maar dit ging telkens gepaard met zeer schone beloften en vertroostingen voor de boetvaardigen en gelovigen: van zijn toekomstige zekere genade, zowel in het lichamelijke als vooral in het geestelijke, en van zijn strenge oordelen over al hun vijanden en verdrukkers. Hierop slaat vooral dit hele boek van Ezechiël. In de eerste drie hoofdstukken beschrijft hij een zeer uitnemend en wonderbaar visioen, waardoor God hem in zijn profetisch ambt heeft bevestigd, onderwezen en versterkt. In het vervolg, tot aan Hoofdstuk 25, worden de gruwelijke zonden, vooral van de Joden die te Jeruzalem en in Juda waren, en ook hun naderende straffen, door verschillende goddelijke tekenen, visioenen, gelijkenissen en profetische strafpredikingen zeer levendig afgeschilderd. Daarna, tot aan Hoofdstuk 33, voorzegt God de naburige vijandige heidenen hun ondergang: de Ammonieten, Moabieten, Edomieten (over wie ook gehandeld wordt in Hoofdstuk 35), Filistijnen, Tyriërs, Sidoniërs en Egyptenaren. Verder, van Hoofdstuk 33 tot aan Hoofdstuk 40, worden de zonden, het gemor en de huichelarij van de Joden die in Babel gevangen waren, hevig door God bestraft, met vermaningen tot ware bekering en tot gelovige verwachting van de toekomstige verlossing, vergadering en zegening van zijn kerk. Dit zou niet alleen gebeuren door de verlossing uit de Babylonische gevangenschap, maar ook vooral door het grote genadewerk dat God aan zijn algemene kerk uit Joden en heidenen zou bewijzen door hun enige Heiland en Koning Jezus Christus, met waarschuwing voor de zware strijd en vijandschap die hun van Gog en Magog met hun hele aanhang zou overkomen, en met de belofte van een blijde uitkomst aan het einde. In de negen laatste hoofdstukken besluit en verzegelt God deze profetieën in Babylonië met een zeer groot visioen van de bouw van een nieuwe tempel, een nieuwe eredienst, een nieuw bestuur van Gods volk, een nieuw erfland en een nieuwe stad, alles voor Israël en de vreemdelingen. Daarmee beeldt hij, onder figuren naar de eis van die tijd, de toekomstige begenadigde en gezegende staat af van de strijdende en triomferende kerk onder haar Koning, de Messias Jezus Christus, die met de Vader en de Heilige Geest, als de enige ware God van Israël, geloofd moet worden in alle eeuwigheid. Amen.