BijbelEzechiël

Ezechiël 1

Lees Ezechiël 1 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Wanneer en waar Ezechiël geprofeteerd heeft, vers 1, enz. God toont hem een zeer wonderbaarlijk visioen, van vier dieren, 4, 5, enz., van vier raderen, 15, en van een troon, waarop de HEERE Zich in de gedaante van een mens vertoonde, als Regent en Rechter van de hele wereld, 26.

1In het dertigste jaar, in de vierde maand, op de vijfde van die maand, als ik in het midden van de weggevoerden was bij de rivier Chebar, zo gebeurde het, dat de hemelen werden geopend, en ik visioenen Gods zag.

2Op de vijfde van die maand (dit was het vijfde jaar van de wegvoering van de koning Jojachin),

3Kwam het woord van JAHWEH uitdrukkelijk tot Ezechiël, de zoon van Buzi, de priester, in het land van de Chaldeeën, bij de rivier Chebar; en de hand van JAHWEH was daar op hem.

4Toen zag ik, en ziet, een stormwind kwam van het noorden af, een grote wolk, en een vuur daarin vervangen, en een glans was rondom die wolk; en uit het midden daarvan was als de kleur van glanzend metaal, uit het midden van het vuur.

5En uit het midden daarvan kwam de gelijkenis van vier dieren; en dit was hun gedaante: zij hadden de gelijkenis van een mens;

6En elk had vier aangezichten; ook had elk van hen vier vleugels.

7En hun voeten waren rechte voeten, en hun voetplanten waren gelijk de voetplanten van een kalf, en glinsterden gelijk de kleur van glad koper.

8En mensenhanden waren onder hun vleugels, aan hun vier zijden; en die vier hadden hun aangezichten en hun vleugels.

9Hun vleugels waren samengevoegd, de één aan de ander; zij keerden zich niet om, als zij gingen; zij gingen elk recht uit voor zijn aangezicht heen.

10De gelijkenis nu van hun aangezicht was het aangezicht van een mens, en het aangezicht van een leeuw hadden zij vier aan de rechterzijde; en aan de linkerzijde hadden die vier het aangezicht van een os; ook hadden die vier het aangezicht van een adelaar.

11Ook waren hun aangezichten en hun vleugels omhoog verdeeld; elk had er twee samengevoegd aan de andere, en twee bedekten hun lichamen.

12En zij gingen elk rechtuit voor zijn aangezicht heen; waarheen de geest was om te gaan, gingen zij; zij keerden zich niet om, als zij gingen.

13Voor wat betreft de gelijkenis van de dieren, hun gedaante was als brandende kolen van het vuur, als de gedaante van de fakkelen; dat vuur ging steeds tussen die dieren; en het vuur had een glans, en uit het vuur kwam een bliksem voort.

14De dieren nu liepen en keerden weer als de gedaante van een weerlicht.

15Als ik die dieren zag, ziet, zo was er een rad op de aarde bij die dieren, naar vier aangezichten daarvan.

16De gedaante van de wielen en hun maaksel was als de kleur van een turkoois; en die vier hadden dezelfde gelijkenis; daartoe was hun gedaante, en hun maaksel, alsof het was een rad in het midden van een rad.

17Als zij gingen, zij gingen op hun vier zijden; zij keerden zich niet om, als zij gingen.

18En hun velgen, die waren zo hoog, dat zij vreselijk waren; en hun velgen waren vol ogen rondom aan die vier wielen.

19Als nu de dieren gingen, gingen de wielen bij hen; en als de dieren van de aarde opgeheven werden, werden de wielen opgeheven.

20Waarheen de geest was om te gaan, gingen zij, waarheen de geest was om te gaan; en de wielen werden tegenover hen opgeheven; want de geest van de dieren was in de wielen.

21Als die gingen, gingen deze; en als die stonden, stonden zij; en als die van de aarde opgeheven werden, werden de wielen tegenover hen opgeheven; want de geest van de dieren was in de wielen.

22En over de hoofden van de dieren was de gelijkenis van een uitspansel, zoals de kleur van het vreselijke kristal, van boven af over hun hoofden uitgespreid.

23En onder dat uitspansel waren hun vleugels rechtop, de één aan de ander; ieder had er twee, die herwaarts hun lichamen bedekten, en ieder had er twee, die ze daarheen bedekten.

24En als zij gingen, hoorde ik een geruis van hun vleugels, als het geruis van vele wateren, als de stem van de Almachtige, als de stem van een geroep, als het gedreun van een legermacht; als zij stonden, zo lieten zij hun vleugels neer.

25En er kwam een stem van boven het uitspansel, dat boven hun hoofden was, als zij stonden, en hun vleugels neergelaten hadden.

26En boven het uitspansel, dat was boven hun hoofden, was de gelijkenis van een troon, als de gedaante van een saffiersteen; en op de gelijkenis van de troon was de gelijkenis als de gedaante van een mens, daarboven op zijnde.

27En ik zag als de kleur van glanzend metaal, als de gedaante van vuur rondom daarbinnen, van de gedaante van Zijn middel en omhoog; en van de gedaante van Zijn middel en naar beneden, zag ik als de gedaante van vuur, en glans aan Hem rondom.

28Gelijk de gedaante van de boog, die in de wolk is op de dag van de plasregen, zo was de gedaante van de glans rondom; dit was de gedaante van de gelijkenis van de heerlijkheid van JAHWEH; en als ik het zag, viel ik op mijn aangezicht, en ik hoorde een stem van Een, Die sprak.