Ezechiël 11
Lees Ezechiël 11 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
God toont de profeet de boosheid van de voornaamste regenten binnen Jeruzalem, die met Gods profetieën de spot dreven, vers 1, enz. De profeet moet profeteren over hun zonden en straffen, 4. Een van de genoemde regenten sterft, waarover de profeet ontsteld wordt, 13. God toont hem de spot die zij te Jeruzalem dreven met hun broeders, die naar Babel waren weggevoerd, aan wie God daarentegen geestelijke en lichamelijke zegen belooft, 14. De heerlijkheid van de HEERE verlaat de stad, 22. God brengt de profeet weer (in een visioen) tot zijn medegevangen broeders in Chaldea, 24.
1Toen hief mij de Geest op, en bracht mij tot de Oostpoort van het huis van JAHWEH, die ziet naar het oosten; en ziet, aan de deur van de poort waren vijf en twintig mannen, en in het midden van hen zag ik Jaäzanja, de zoon van Azzur, en Pelatja, de zoon van Benaja, vorsten van het volk.
2En Hij zei tot mij: Mensenkind, deze zijn de mannen, die ongerechtigheid bedenken, en die kwade raad raden in deze stad.
3Die zeggen: Men moet geen huizen nabij bouwen; deze stad zou de pot, en wij het vlees zijn.
4Daarom profeteer tegen hen; profeteer, o mensenkind!
5Zo viel dan de Geest van JAHWEH op mij, en Hij zei tot mij: Zeg: Zo zegt JAHWEH: Zo zegt u, o huis van Israël! want Ik weet elk van de dingen, die in uw geest opklimmen.
6U hebt uw verslagenen in deze stad vermenigvuldigd, en u hebt haar straten met de verslagenen vervuld.
7Daarom, zo zegt Adonai JAHWEH: Uw verslagenen, die u in het midden daarvan neergelegd hebt, die zijn dat vlees, en deze stad is de pot; maar u zal Ik uit het midden daarvan doen uitgaan.
8U hebt het zwaard gevreesd; en het zwaard zal Ik over u brengen, spreekt Adonai JAHWEH.
9Ook zal Ik u uit het midden daarvan doen uitgaan, en Ik zal u overgeven in de hand van de vreemden; en Ik zal recht onder u doen.
10U zult door het zwaard vallen; in het gebied van Israël zal Ik u richten, en u zult weten, dat Ik JAHWEH ben.
11Deze stad zal u niet tot een pot zijn, en u zult in het midden daarvan niet tot vlees zijn; in het gebied van Israël zal Ik u richten.
12En u zult weten, dat Ik JAHWEH ben, omdat u in Mijn voorschriften niet gewandeld, en Mijn rechten niet gedaan hebt, maar naar de rechten van de heidenen, die rondom u zijn, gedaan hebt.
13Het gebeurde nu, als ik profeteerde, dat Pelatja, de zoon van Benaja, stierf. Toen viel ik neer op mijn aangezicht, en riep met luide stem; en zei: Ach, Adonai JAHWEH! zult U geheel een voleinding maken met het overblijfsel van Israël?
14Toen kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende:
15Mensenkind, het zijn uw broers, uw broers, de mannen van uw familie, en het hele huis van Israël, ja, dat hele, tot wie de inwoners van Jeruzalem gezegd hebben: Maak u verre af van JAHWEH, ditzelve land is ons tot een erfbezitting gegeven.
16Daarom zeg: Zo zegt Adonai JAHWEH: Hoewel Ik hen verre onder de heidenen weggedaan heb, en hoewel Ik hen in de landen verstrooid heb, toch zal Ik hun een korte tijd tot een heiligdom zijn, in de landen, waarin zij gekomen zijn.
17Daarom zeg: Zo zegt Adonai JAHWEH: Ja, Ik zal u verzamelen uit de volken, en Ik zal u verzamelen uit de landen, waarin u verstrooid bent, en Ik zal u het land van Israël geven.
18En zij zullen daarheen komen, en al de verfoeilijke dingen daarvan en al de gruwelijke dingen daarvan van daar wegdoen.
19En Ik zal hun dezelfde hart geven, en zal een nieuwe geest in het binnenste van u geven; en Ik zal het stenen hart uit hun vlees wegnemen, en zal hun een vlesen hart geven;
20Opdat zij wandelen in Mijn voorschriften, en Mijn rechten bewaren, en die doen; en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn.
21Maar van wie het hart het hart van hun verfoeilijke dingen en van hun gruwelijke dingen nawandelt, hun weg zal Ik op hun hoofd geven, spreekt Adonai JAHWEH.
22Toen hieven de cherubs hun vleugels op, en de wielen tegenover hen; en de heerlijkheid van de God van Israël was over hen van boven.
23En de heerlijkheid van JAHWEH rees op van het midden van de stad, en stond op de berg, die tegen het oosten van de stad is.
24Daarna nam mij de Geest op, en bracht mij in visioen door de Geest van God in Chaldea tot de als gevangene weggevoerden; en het visioen, dat ik gezien had, voer van mij op.
25En ik sprak tot de als gevangene weggevoerden al de woorden van JAHWEH, die Hij mij had doen zien.