Ezechiël 12
Lees Ezechiël 12 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
De profeet krijgt van God de opdracht het heimelijke vluchten en de wegvoering in gevangenschap van koning Zedekia en het volk (op weinigen na) in zijn persoon af te beelden, vers 1, enz., en ook zijn brood te eten en water te drinken met kommer en angst, de Joden tot een teken, 17. God verwerpt het spottende spreekwoord van de Joden, en voorzegt daartegen een spoedige en zekere vervulling van zijn profetieën, 21.
1Verder kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende:
2Mensenkind! u woont in het midden van een opstandig huis, die ogen hebben om te zien, en niet zien, oren hebben om te horen, en niet horen, want zij zijn een opstandig huis.
3Daarom u, mensenkind, maak u gereedschap van vertrekking; en vertrek bij dag voor hun ogen; en u zult vertrekken van uw plaats tot een andere plaats voor hun ogen; misschien zullen zij het merken, hoewel zij een opstandig huis zijn.
4U zult dan uw gereedschap bij dag voor hun ogen uitbrengen, als het gereedschap van degenen, die vertrekken; daarna zult u in de avond uitgaan voor hun ogen, zoals zij uitgaan, die vertrekken.
5Doorgraaf u de wand voor hun ogen, en breng daardoor uw gereedschap uit.
6Voor hun ogen zult u het op de schouders dragen, in donker zult u het uitbrengen; uw aangezicht zult u bedekken, dat u het land niet ziet; want Ik heb u aan het huis van Israël tot een wonderteken gegeven.
7En ik deed zo, zoals mij bevolen was; ik bracht mijn gereedschap uit bij dag, als het gereedschap van degenen, die vertrekken; daarna in de avond doorgroef ik mij de wand met de hand; ik bracht het uit in donker, en ik droeg het op de schouder voor hun ogen.
8En 's morgens kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende:
9Mensenkind, heeft niet het huis van Israël, het opstandig huis, tot u gezegd: Wat doet u?
10Zeg tot hen: Zo zegt Adonai JAHWEH: Deze last is tegen de vorst te Jeruzalem, en het hele huis van Israël, dat in het midden van hen is.
11Zeg: Ik ben uw wonderteken; zoals ik gedaan heb, zo zal hun gedaan worden; zij zullen door wegvoering in de gevangenis heengaan.
12En de vorst, die in het midden van hen is, zal het gereedschap op de schouder dragen in donker, en hij zal uitgaan; zij zullen door de wand graven, om hem daardoor uit te brengen; hij zal zijn aangezicht bedekken, opdat hij met het oog de aarde niet zie.
13Ik zal ook Mijn net over hem uitspreiden, dat hij in Mijn jachtgaren gegrepen wordt; en Ik zal hem brengen in Babylonië, het land van de Chaldeeën; ook zal hij dat niet zien, hoewel hij daar sterven zal.
14En allen, die rondom hem zijn tot zijn hulp, en al zijn benden zal Ik in alle winden verstrooien; en Ik zal het zwaard achter hen uittrekken.
15Zo zullen zij weten, dat Ik JAHWEH ben, wanneer Ik hen onder de heidenen verspreiden en hen in de landen verstrooien zal.
16Maar Ik zal van hen weinig mensen doen overblijven van het zwaard, van de honger en van de pest; opdat zij al hun gruwelijke dingen vertellen onder de heidenen, waarheen zij komen zullen, en zij zullen weten, dat Ik JAHWEH ben.
17Daarna kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende:
18Mensenkind, u zult uw brood eten met beven, en uw water zult u met onrust en met kommer drinken.
19En u zult tot het volk van het land zeggen: Zo zegt Adonai JAHWEH, van de inwoners van Jeruzalem, in het land van Israël: Zij zullen hun brood met kommer eten, en hun water zullen zij met verbaasdheid drinken, omdat hun land woest zal worden van zijn volheid, vanwege het geweld van al degenen, die daarin wonen;
20En de bewoonde steden zullen woest worden, en het land zal een wildernis zijn; en u zult weten, dat Ik JAHWEH ben.
21Opnieuw kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende:
22Mensenkind, wat is dit voor een spreekwoord, dat u hebt in het land van Israël, zeggende: de dagen zullen verlengd worden, en al het visioen zal vergaan?
23Daarom zeg tot hen: Zo zegt Adonai JAHWEH: Ik zal dit spreekwoord doen ophouden, dat zij het niet meer ten spreekwoord gebruiken zullen in Israël. Maar spreek tot hen: De dagen zijn nabij gekomen, en het woord van ieder visioen.
24Want geen ijdel visioen zal er meer wezen, noch vleiende waarzegging, in het midden van het huis van Israël.
25Want Ik ben JAHWEH, Ik zal spreken; het woord, dat Ik zal spreken, zal gedaan worden, de tijd zal niet meer uitgesteld worden; want in uw dagen, o opstandig huis, zal Ik een woord spreken, en het doen, spreekt Adonai JAHWEH.
26Verder kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende:
27Mensenkind, zie, die van het huis van Israël zeggen: Het visioen dat hij ziet, is voor vele dagen, en hij profeteert van tijden, die verre zijn.
28Daarom zeg tot hen: Zo zegt Adonai JAHWEH: Geen van Mijn woorden zullen meer uitgesteld worden; het woord, dat Ik gesproken heb, dat zal gedaan worden, spreekt Adonai JAHWEH.