Ezechiël 13
Lees Ezechiël 13 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
God beveelt de profeet te profeteren tegen de valse profeten en hun bedrieglijke bepleisteringen, vers 1, enz.; eveneens tegen de valse profetessen en hun armkussens en hoofddoeken, 17.
1En het woord van JAHWEH kwam tot mij, zeggende:
2Mensenkind, profeteer tegen de profeten van Israël, die profeteren, en zeg tot degenen, die uit hun hart profeteren: Hoor het woord van JAHWEH.
3Zo zegt Adonai JAHWEH: Wee over die dwaze profeten, die hun geest nawandelen, en wat zij niet gezien hebben!
4Uw profeten, o Israël, zijn als vossen in de woeste plaatsen.
5U bent in de bressen niet opgetreden, noch hebt de muur dichtgemetseld voor het huis van Israël, om in de strijd te staan, op de dag van JAHWEH.
6Zij zien zinloosheid en leugenachtige voorzegging, die daar zeggen: JAHWEH heeft gesproken, daar JAHWEH hen niet gezonden heeft; en zij geven hope van het woord te zullen bevestigen.
7Ziet u niet een ijdel visioen, en spreekt een leugenachtige voorzegging, als u zegt: JAHWEH spreekt, daar Ik niet gesproken heb?
8Daarom zo zegt Adonai JAHWEH: omdat u zinloosheid spreekt, en leugen ziet; daarom, ziet, Ik wil aan u, spreekt Adonai JAHWEH.
9En Mijn hand zal zijn tegen de profeten, die zinloosheid zien, en leugen voorzeggen; zij zullen in de vergadering van Mijn volk niet zijn, en in het schrift van het huis van Israël niet geschreven worden, en in het land van Israël niet komen; en u zult weten, dat Ik Adonai JAHWEH ben.
10Daarom, ja, daarom dat zij Mijn volk verleiden, zeggende: Vrede, daar geen vrede is; en dat de één een lemen wand bouwt, en ziet, de anderen pleisteren hem met loze kalk.
11Zeg tot degenen, die met loze kalk pleisteren, dat hij omvallen zal; er zal een overstelpende plasregen zijn; en u, o grote hagelstenen, zult vallen, en een grote stormwind zal hem splijten.
12Zie, als die wand zal gevallen zijn, zal dan niet tot u gezegd worden: Waar is de pleistering, waarmee u gepleisterd hebt?
13Daarom zo zegt Adonai JAHWEH: Ja, Ik zal hem door een grote stormwind in Mijn woede splijten, en er zal een overstelpende plasregen zijn in Mijn toorn, en grote hagelstenen in Mijn woede, om die te verdoen.
14Zo zal Ik de wand afbreken, die u met loze kalk gepleisterd hebt, en zal hem ter aarde neerwerpen, dat zijn grond zal ontdekt worden; zo zal de stad vallen, en u zult in het midden van haar omkomen; en u zult weten, dat Ik JAHWEH ben.
15Zo zal Ik Mijn woede tegen de wand voortbrengen, en tegen degenen, die hem pleisteren met loze kalk; en Ik zal tot u zeggen: Die wand is er niet meer, en die hem pleisterden, zijn er niet;
16Te weten de profeten van Israël, die van Jeruzalem profeteren, en voor haar een visioen van de vrede zien, waar geen vrede is, spreekt Adonai JAHWEH.
17En u, mensenkind, zet uw aangezicht tegen de dochters van uw volk, die profeteren uit haar hart, en profeteer tegen haar;
18En zeg: Zo zegt Adonai JAHWEH: Wee die vrouwen, die kussens naaien voor alle okselen van de armen, en maken hoofddeksels voor hoofden van elke gestalte, om de zielen te jagen! Zult u de zielen van Mijn volk jagen, en zult u zich de zielen in het leven behouden?
19En zult u Mij ontheiligen bij Mijn volk, voor handvollen van gerst, en voor stukken brood, om zielen te doden, die niet zouden sterven, en om zielen in het leven te behouden, die niet zouden leven, door uw liegen tot Mijn volk, dat de leugen hoort?
20Daarom, zo zegt Adonai JAHWEH: Zie, Ik wil aan uw kussens, waarmee u daar de zielen jaagt naar de bloemhoven, en Ik zal ze uit uw armen wegscheuren; en Ik zal die zielen losmaken, de zielen, die u jaagt naar de bloemhoven.
21Daartoe zal Ik uw hoofddeksels scheuren, en Mijn volk uit uw hand redden, zodat zij niet meer in uw hand zullen zijn tot een jacht; en u zult weten, dat Ik JAHWEH ben.
22Omdat u het hart van de rechtvaardigen door valsheid hebt bedroefd gemaakt, daar Ik hem geen smart aangedaan heb; en omdat u de handen van de goddelozen gesterkt hebt, opdat hij zich van zijn boze weg niet afkeren zou, dat Ik hem in het leven behield;
23Daarom zult u niet meer zinloosheid zien, noch waarzegging gebruiken; maar Ik zal Mijn volk uit uw hand redden, en u zult weten, dat Ik JAHWEH ben.