Ezechiël 17
Lees Ezechiël 17 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Door de gelijkenis van een arend, die een cederrank van de Libanon haalt en een nieuwe wijnstok plant, alsook een andere grote arend, naar wie die wijnstok zich neigde, stelt God zijn volk voor: de wegvoering in gevangenschap van koning Jechonia en anderen door de koning van Babel, de aanstelling van Zedekia tot koning in zijn plaats, en diens meinedigheid en afval naar de koning van Egypte, vers 1, 2, 3, enz. Daarom voorzegt God dat hij, door Egypte en zijn eigen volk verlaten, naar Babel in gevangenschap zal worden weggevoerd, 15. Hij belooft echter een andere nieuwe, evangelische cederrank, tot heil van zijn volk, 22.
1En het woord van JAHWEH kwam tot mij, zeggende:
2Mensenkind, stel een raadsel voor, en gebruik een gelijkenis tot het huis van Israël,
3En zeg: Zo zegt Adonai JAHWEH: Een adelaar, die groot was, groot van vleugels, lang van vlerken, vol van veren, die verscheidene kleuren had, kwam op de Libanon, en nam de bovenste tak van een ceder.
4Hij plukte de top van zijn jonge takjes af, en bracht hem in een land van koophandel; hij zette hem in een stad van kooplieden.
5Hij nam ook van het zaad van het land, en legde het in een zaadakker; hij nam het, hij zette het bij vele wateren met grote voorzichtigheid.
6En het sproot uit, en werd tot een welig uitlopende wijnstok, maar nederig van stam, ziende met zijn takken naar hem, omdat zijn wortels onder hem waren. Zo werd hij tot een wijnstok, die ranken voortbracht en scheuten uitwierp.
7Nog was er een grote adelaar, groot van vleugels en overvloedig van veren; en ziet, deze wijnstok voegde zijn wortels daarnaar toe, en wierp zijn takken tot hem uit, opdat hij hem bevochtigen zou naar de bedden van zijn planting toe.
8Hij was in een goede akker bij vele wateren geplant, om takken te maken en vrucht te dragen, opdat hij tot een heerlijke wijnstok worden mocht.
9Zeg: Zo zegt Adonai JAHWEH: Zal hij strekken? Zal hij niet zijn wortels uitrukken, en zijn vrucht afsnijden, dat hij droog wordt? Hij zal aan al de bladeren van zijn gewas verdrogen; en dat niet door een grote arm, noch door veel volk, om die van zijn wortels weg te voeren.
10Ja ziet, zal hij geplant zijnde strekken? Zal hij niet, als de oostenwind hem aanroert, geheel verdrogen? Op de bedden van zijn gewas zal hij verdrogen.
11Daarna kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende:
12Zeg nu tot dat opstandig huis: Weet u niet, wat deze dingen zijn? Zeg: Zie, de koning van Babel is tot Jeruzalem gekomen, en heeft haar koning genomen, en haar vorsten, en heeft ze tot zich gevoerd naar Babel.
13Daartoe heeft hij van het koninklijk zaad genomen, en daarmee een verbond gemaakt, en heeft hem tot een eed gebracht, en de machtigen van het land heeft hij weggenomen;
14Opdat het koninkrijk nederig zou zijn, zich niet verheffende, en dat het, zijn verbond houdende, bestaan mocht.
15Maar hij rebelleerde tegen hem, zendende zijn boden in Egypte, opdat men hem paarden en veel volk bestellen zou; zal hij strekken? Zal hij ontkomen, die zulke dingen doet? Ja, zal hij het verbond breken en ontkomen?
16Zo waarachtig als Ik leef, spreekt Adonai JAHWEH, zo hij niet in de plaats van de koning, die hem koning gemaakt heeft, van wie hij de eed veracht, en van wie hij het verbond gebroken heeft, bij hem in het midden van Babel zal sterven!
17Ook zal Farao, door een groot leger en door menigte van krijgsvergadering, met hem in oorlog niets uitrichten als men een wal zal opwerpen, en als men vestingen bouwen zal, om vele zielen uit te roeien.
18Want hij heeft de eed veracht, brekende het verbond, daar hij, ziet, zijn hand gegeven had; omdat hij al deze dingen gedaan heeft, zal hij niet ontkomen.
19Daarom, zo zegt Adonai JAHWEH: Zo waarachtig als Ik leef, zo Ik Mijn eed, die hij veracht heeft, en Mijn verbond, dat hij gebroken heeft, het niet op zijn hoofd geve!
20En Ik zal Mijn net over hem uitspreiden, dat hij gegrepen zal worden in Mijn jachtgaren; en Ik zal hem doen brengen naar Babel, en zal daar met hem rechten over zijn overtreding, waardoor hij tegen Mij overtreden heeft.
21Daartoe zullen al zijn vluchtelingen met al zijn benden door het zwaard vallen, en de overgeblevenen zullen in alle winden verstrooid worden; en u zult weten, dat Ik, JAHWEH, gesproken heb.
22Zo zegt Adonai JAHWEH: Ik zal ook van de bovenste tak van de hoge ceder nemen, dat Ik zetten zal; van het bovenste van zijn jonge takjes zal Ik een tedere afplukken, die Ik op een hoge en verheven berg planten zal;
23Op de berg van de hoogte van Israël zal Ik hem planten; en hij zal takken voortbrengen, en vrucht dragen, en hij zal tot een heerlijke ceder worden, dat onder hem wonen zal alle gevogelte van allerlei vleugel; in de schaduw van zijn takken zullen zij wonen.
24Zo zullen alle bomen van het veld weten, dat Ik, JAHWEH, de hoge boom vernederd heb, de nederige boom verheven heb, de groene boom verdroogd, en de droge boom bloeiende gemaakt heb; Ik, JAHWEH, heb het gesproken, en zal het doen.