Ezechiël 21
Lees Ezechiël 21 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
God beveelt de profeet zeer scherp te profeteren tegen Jeruzalem, de tempel en het hele land, hooggeplaatsten en geringen, over het zwaard van de HEERE, waarover de profeet, het volk tot een teken, moet zuchten en misbaar maken, vers 1, 2, enz. Hij voorzegt dat de koning van Babel zal aarzelen of hij eerst Jeruzalem of het land der Ammonieten zal aantasten, maar dat hij eerst naar Jeruzalem zal trekken, om hun meinedigheid, 24. Profetie tegen het koninkrijk van Juda, en over de komst van Christus, 30; eveneens tegen de Ammonieten, 33.
1En het woord van JAHWEH kwam tot mij, zeggende:
2Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Jeruzalem, en drup tegen de heiligdommen, en profeteer tegen het land van Israël;
3En zeg tot het land van Israël: Zo zegt JAHWEH: Zie, Ik wil aan u, en Ik zal Mijn zwaard uit zijn schede trekken; en Ik zal van u uitroeien de rechtvaardige en de goddeloze.
4Omdat Ik dan van u uitroeien zal de rechtvaardige en de goddeloze, daarom zal Mijn zwaard uit zijn schede uitgaan tegen alle vlees, van het zuiden tot het noorden.
5En alle vlees zal weten, dat Ik, JAHWEH, Mijn zwaard uit zijn schede getrokken heb; het zal niet meer terugkeren.
6Maar u, mensenkind, zucht; zucht voor hun ogen met verbreking van de middel en met bitterheid.
7En het zal gebeuren, als zij tot u zeggen zullen: Waarom zucht u, dat u zeggen zult: Om het gerucht, want het komt! en alle hart zal versmelten, en alle handen zullen verslappen, en alle geest zal inkrimpen, en alle knieën als water wegvloeien; zie, het komt, en het zal gebeuren, spreekt Adonai JAHWEH.
8Opnieuw kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende:
9Mensenkind, profeteer en zeg: Zo zegt JAHWEH: Zeg: Het zwaard, het zwaard is gescherpt, en ook geveegd.
10Het is gescherpt, opdat het een slachting slachte; het is geveegd, opdat het een glinster hebbe; of wij dan zullen vrolijk zijn? het is de roede van Mijn Zoon, die alle hout versmaadt.
11En Hij heeft het te vegen gegeven, opdat men het met de hand handelen zou; dat zwaard is gescherpt, en dat is geveegd, om het in de hand van de moordenaar te geven.
12Schreeuw en huil, o mensenkind, want het zal zijn tegen Mijn volk, het zal zijn tegen al de vorsten van Israël; verschrikkingen zullen vanwege het zwaard bij Mijn volk zijn; daarom klop op de heup.
13Als er beproeving was, wat was het toen? Zou er dan ook geen versmadende roede zijn, spreekt Adonai JAHWEH.
14Daarom u, mensenkind, profeteer, en sla hand tegen hand; want het zwaard zal verdubbeld worden voor de derde keer, het is het zwaard van degenen, die verslagen zullen worden; het is het zwaard van de groten, die verslagen zullen worden, dat tot hen in de binnenste kamers indringen zal.
15Ik heb de punt van het zwaard gezet tegen al hun poorten, opdat het hart versmelte, en de aanstoten vermenigvuldigen; ach, het is toegemaakt, opdat het glinstere, het is ingewonden om te slachten.
16Houd u bijeen, o zwaard! keer u rechtsom, schik u, keer u linksom, waarheen uw aangezicht gesteld is.
17En Ik Zelf zal ook Mijn hand tegen Mijn hand slaan, en Mijn woede doen rusten; Ik, JAHWEH, heb het gesproken.
18Opnieuw kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende:
19U nu, mensenkind, stel u twee wegen voor, waardoor het zwaard van de koning van Babel komt; uit een land zullen zij beide voortkomen; en kies een zijde, kies ze aan het hoofd van de weg van de stad.
20U zult een weg voorstellen, waardoor het zwaard inkomen zal tegen Rabba van de kinderen van Ammon, of tegen Juda, tot de versterkte stad Jeruzalem.
21Want de koning van Babel zal aan de wegscheiding staan, aan het hoofd van de twee wegen, om waarzegging te gebruiken; hij zal zijn pijlen slijpen; hij zal de terafim vragen, hij zal de lever bekijken.
22De waarzegging zal aan zijn rechterhand zijn op Jeruzalem, om hoofdmannen te stellen, om de mond te openen in het doodslaan, om de stem op te heffen met gejuich, om stormrammen te stellen tegen de poorten, om vestingen op te werpen, om bolwerken te bouwen.
23Dit zal hun in hun ogen als een ijdel waarzeggen zijn, omdat zij met eden beëdigd zijn onder hen; maar hij zal aan de ongerechtigheid gedenken, opdat zij gegrepen worden.
24Daarom zegt Adonai JAHWEH zo: Omdat u uw ongerechtigheid doet gedenken, doordien uw overtredingen ontdekt worden, zodat uw zonden gezien worden in al uw handelingen; omdat aan u gedacht wordt, zult u met de hand gegrepen worden.
25En u, o onheilig, goddeloos vorst van Israël, van wie de dag komen zal, ten tijde van de uiterste ongerechtigheid;
26Zo zegt Adonai JAHWEH: Doe die hoed weg, en hef die kroon af, deze zal dezelfde niet wezen; Ik zal verhogen die, die nederig is, en vernederen die, die hoog is.
27Ik zal die kroon omgekeerd, omgekeerd, omgekeerd stellen; ja, zij zal niet zijn, voordat hij kome, die daartoe recht heeft, en die Ik geven zal.
28En u, mensenkind, profeteer en zeg: Zo zegt Adonai JAHWEH, van de kinderen van Ammon, en van hun smading; zo zeg: Het zwaard, het zwaard is uitgetrokken, het is ter slachting geveegd om te verdoen, om te glinsteren;
29Terwijl zij u zinloosheid zien, terwijl zij u leugen voorzeggen, om u op de halzen te stellen van degenen, die van de goddelozen verslagen zijn, van wie de dag gekomen was ten tijde van de uiterste ongerechtigheid.
30Keer uw zwaard weer in zijn schede! In de plaats, waar u geschapen bent, in het land van uw woningen zal Ik u richten.
31En Ik zal over u Mijn toorn uitgieten, Ik zal tegen u door het vuur van Mijn toorn blazen; en Ik zal u overgeven in de hand van brandende mensen, smeders van het verderf.
32Voor het vuur zult u tot voedsel zijn, uw bloed zal zijn in het midden van het land; aan u zal niet gedacht worden; want Ik, JAHWEH, heb het gesproken.