Ezechiël 28
Lees Ezechiël 28 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Profetie over de ondergang van de koning van Tyrus, om zijn trots en hoogmoed, vers 1, 2, enz. Profetisch klaaglied over hem, door vergelijking van zijn vroegere heerlijkheid en toekomstige ondergang, 11. Profetie tegen Sidon, 21; met een belofte van de herstelling van de kerk, 25.
1Verder kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende:
2Mensenkind! zeg tot de vorst van Tyrus: Zo zegt Adonai JAHWEH: Omdat uw hart zich verheft en zegt: Ik ben God, ik zit in Godes stoel, in het hart van de zeeën! daar u een mens en geen God bent, stelt u toch uw hart, als Gods hart.
3Zie, u bent wijzer dan Daniël; zij hebben niets toegeslotens voor u verborgen.
4Door uw wijsheid en door uw verstand, hebt u vermogen voor u verkregen; ja, u hebt goud en zilver verkregen in uw schatten.
5Door de grootheid van uw wijsheid in uw koophandel hebt u uw vermogen vermeerderd, en uw hart verheft zich vanwege uw vermogen.
6Daarom zegt Adonai JAHWEH zo: Omdat u uw hart gesteld hebt als Gods hart;
7Daarom zie, Ik zal vreemden over u brengen, de tirannigste van de heidenen; die zullen hun zwaarden uittrekken over de schoonheid van uw wijsheid, en zullen uw glans ontheiligen.
8Ter groeve zullen zij u doen neerdalen; en u zult sterven de dood van een verslagene in het hart van de zeeën.
9Zult u dan enigszins, voor het aangezicht van uw moordenaar, zeggen: Ik ben God? daar u een mens bent en geen God, in de hand van degene, die u verslaat?
10U zult de dood van de onbesnedenen sterven; door de hand van de vreemden; want Ik heb het gesproken, spreekt Adonai JAHWEH.
11Verder kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende:
12Mensenkind! hef een klaaglied op over de koning van Tyrus, en zeg tot hem: Zo zegt Adonai JAHWEH: U verzegelaar van de som, vol van wijsheid en volmaakt in schoonheid!
13U was in Eden, Gods hof; alle kostelijk gesteente was uw deksel, sardisstenen, topazen en diamanten, turkooizen, sardonixstenen en jaspisstenen, saffieren, robijnen, en smaragden, en goud; het werk van uw trommelen en van uw pijpen was bij u; op de dag als u geschapen werd, waren zij bereid.
14U was een gezalfde, overdekkende cherub; en Ik had u zo gezet; u was op Gods heilige berg; u wandelde in het midden van de vurige stenen.
15U was volkomen in uw wegen, van de dag af, dat u geschapen bent, totdat er ongerechtigheid in u gevonden is.
16Door de veelheid van uw koophandel hebben zij het midden van u met geweld vervuld, en u hebt gezondigd; daarom zal Ik u ontheiligen van Gods berg, en zal u, u overdekkende cherub! verdoen uit het midden van de vurige stenen!
17Uw hart verheft zich over uw schoonheid; u hebt uw wijsheid bedorven, vanwege uw glans; Ik heb u op de aarde heengeworpen, Ik heb u voor het aangezicht van de koningen gesteld, om op u te zien.
18Vanwege de veelheid van uw ongerechtigheden, door het onrecht van uw koophandel, hebt u uw heiligdommen ontheiligd; daarom heb Ik een vuur uit het midden van u doen voortkomen, dat u heeft verteerd, en Ik heb u gemaakt tot as op de aarde, voor de ogen van al degenen, die u zien.
19Allen, die u kennen onder de volken, zijn over u ontzet; u bent een grote schrik geworden, en zult er niet meer zijn tot in eeuwigheid.
20Verder kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende:
21Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Sidon, en profeteer tegen haar,
22En zeg: Zo zegt Adonai JAHWEH: Zie, Ik wil aan u, o Sidon! en zal in het midden van u verheerlijkt worden; en zij zullen weten, dat Ik JAHWEH ben, als Ik gerichten in haar zal hebben geoefend, en in haar geheiligd zal zijn.
23Want Ik zal de pest in haar zenden, en bloed op haar straten, en de verslagenen zullen vallen in het midden van haar, door het zwaard, dat tegen haar zal zijn van rondom; en zij zullen weten, dat Ik JAHWEH ben.
24En het huis van Israël zal geen smartende doorn noch wee doende distel meer hebben, van allen, die rondom hen zijn, die hen beroven; en zij zullen weten, dat Ik Adonai JAHWEH ben.
25Zo zegt Adonai JAHWEH: Als Ik het huis van Israël zal verzameld hebben uit de volken, waaronder zij verstrooid zijn, en Ik onder hen voor de ogen van de heidenen zal geheiligd zijn, dan zullen zij in hun land wonen, dat Ik aan Mijn knecht, aan Jakob gegeven heb.
26En zij zullen daarin zeker wonen, en huizen bouwen, en wijngaarden planten; ja, zij zullen zeker wonen; als Ik gerichten zal hebben geoefend tegen allen, die hen beroofd hebben, van degenen, die rondom hen zijn; en zij zullen weten dat Ik, JAHWEH, hun God ben.