BijbelEzechiël

Ezechiël 34

Lees Ezechiël 34 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Profetie tegen de slechte herders van Gods volk, vers 1, 2, enz. God belooft zijn schapen zelf op te zoeken, te redden en goed te weiden, met onderscheid tussen schaap en schaap, rammen en bokken, 10. Daartoe zal Hij de Opperste Herder en Vorst van zijn Kerk verwekken en zenden, Jezus Christus, onder wie zijn schapen gezegend en gelukzalig zullen zijn, 23.

1En het woord van JAHWEH kwam tot mij, zeggende:

2Mensenkind! profeteer tegen de herders van Israël; profeteer en zeg tot hen, tot de herders: Zo zegt Adonai JAHWEH: Wee de herders van Israël, die zichzelf weiden! zullen niet de herders de schapen weiden?

3U eet het vette, en bekleedt u met de wol, u slacht het gemeste, maar de schapen weidt u niet.

4De zwakke sterkt u niet, en het zieke heelt u niet, en het gebrokene verbindt u niet, en het weggedrevene brengt u niet weer, en het verlorene zoekt u niet; maar u heerst over hen met strengheid en met hardheid.

5Zo zijn zij verstrooid, omdat er geen herder is; en zij zijn als het wild gedierte van het veld tot voedsel geworden, omdat zij verstrooid waren.

6Mijn schapen dolen op alle bergen en op alle hoge heuvel, ja, Mijn schapen zijn verstrooid op de hele aardbodem; en er is niemand, die er naar vraagt, en niemand, die ze zoekt.

7Daarom, u herders! hoort het woord van JAHWEH!

8Zo waarachtig als Ik leef, spreekt Adonai JAHWEH, zo Ik niet! Omdat Mijn schapen geworden zijn tot een roof, en Mijn schapen voor al het wild gedierte van het veld tot voedsel geworden zijn, omdat er geen herder is, en Mijn herders naar Mijn schapen niet vragen; en de herders weiden zichzelf, maar Mijn schapen weiden zij niet;

9Daarom, u herders! hoort het woord van JAHWEH!

10Zo zegt Adonai JAHWEH: Zie, Ik wil aan de herders, en zal Mijn schapen van hun hand eisen, en zal ze van het weiden van de schapen doen ophouden, zodat de herders zichzelf niet meer zullen weiden; en Ik zal Mijn schapen uit hun mond rukken, zodat zij hun niet meer tot voedsel zullen zijn.

11Want zo zegt Adonai JAHWEH: Zie, Ik, ja, Ik zal naar Mijn schapen vragen, en zal ze opzoeken.

12Gelijk een herder zijn kudde opzoekt, op de dag als hij in het midden van zijn verspreide schapen is, zo zal Ik Mijn schapen opzoeken; en Ik zal ze redden uit al de plaatsen, waarheen zij verstrooid zijn, op de dag van de wolk en van de donkerheid.

13En Ik zal ze uitvoeren van de volken, en zal ze verzamelen uit de landen, en brengen ze in hun land; en Ik zal ze weiden op de bergen van Israël, bij de stromen en in alle bewoonbare plaatsen van het land.

14Op een goede weide zal Ik ze weiden, en op de hoge bergen van Israël zal hun kooi zijn; daar zullen zij neerliggen in een goede kooi, en zullen weiden in een vette weide, op de bergen van Israël.

15Ik zal Mijn schapen weiden, en Ik zal ze legeren, spreekt Adonai JAHWEH.

16Het verlorene zal Ik zoeken, en het weggedrevene zal Ik teruggeven, en het gebrokene zal Ik verbinden, en het zieke zal Ik sterken; maar het vette en het sterke zal Ik vernietigen, Ik zal ze weiden met oordeel.

17Want u, o Mijn schapen! Adonai JAHWEH zegt zo: Zie, Ik zal richten tussen klein vee en klein vee, tussen de rammen en de bokken.

18Is het u te weinig, dat u de goede weide afweidt? Zult u nog het overige van uw weide met uw voeten vertreden? En zult u de bezonken wateren drinken, en de overgelatene met uw voeten vermodderen?

19Mijn schapen dan, zullen zij afweiden, wat met uw voeten vertreden is, en drinken, wat met uw voeten vermodderd is?

20Daarom zegt Adonai JAHWEH zo tot hen: Ziet Ik, ja, Ik zal richten tussen het vette klein vee, en tussen het magere klein vee.

21Omdat u al de zwakken met de zijde en met de schouder verdringt, en met uw hoornen stoot, totdat u ze naar buiten toe verstrooid hebt;

22Daarom zal Ik Mijn schapen verlossen, dat zij niet meer tot een roof zullen zijn; en Ik zal richten tussen klein vee en klein vee.

23En Ik zal één enige Herder over hen verwekken, en Hij zal hen weiden, namelijk Mijn knecht David; die zal ze weiden, en Die zal hun tot een Herder zijn.

24En Ik, JAHWEH, zal hun tot een God zijn; en Mijn knecht David zal Vorst zijn in het midden van hen, Ik, JAHWEH, heb het gesproken.

25En Ik zal een verbond van de vrede met hen maken, en zal het boos gedierte uit het land doen ophouden; en zij zullen zeker wonen in de woestijn, en slapen in de wouden.

26Want Ik zal hen, en de plaatsen rondom Mijn heuvel, stellen tot een zegen; en Ik zal de plasregen doen neerdalen op zijn tijd, plasregens van zegen zullen er zijn.

27En het geboomte van het veld zal zijn vrucht geven, en het land zal zijn inkomst geven, en zij zullen zeker zijn in hun land; en zullen weten, dat Ik JAHWEH ben, als Ik de disselbomen van hun juk zal hebben verbroken, en hen gerukt uit de hand van degenen, die zich van hen deden dienen.

28En zij zullen de heidenen niet meer ten roof zijn, en het wild gedierte van de aarde zal ze niet meer vreten; maar zij zullen zeker wonen, en er zal niemand zijn, die ze verschrikke.

29En Ik zal hun een plant van naam verwekken; en zij zullen niet meer weggeraapt worden door honger in het land, en de smaad van de heidenen niet meer dragen.

30Maar zij zullen weten, dat Ik, JAHWEH, hun God, met hen ben, en dat zij Mijn volk zijn, het huis van Israël, spreekt Adonai JAHWEH.

31U nu, o Mijn schapen, schapen van Mijn weide! u bent mensen; maar Ik ben uw God, spreekt Adonai JAHWEH.